/** * */

Verdrag van Versailles

Het Verdrag van Versailles, ook Vredesverdrag van Versailles of Vrede van Versailles genoemd, was een verdrag tussen Duitsland en de Entente en het belangrijkste van de vijf in voorsteden van Parijs in 1919/20 gesloten verdragen, waarmee de Eerste Wereldoorlog formeel werd beëindigd (de andere vier verdragen hadden betrekking op de Duitse bondgenoten).

Inhoud

De ondertekening

Het Verdrag van Versailles (hierna te noemen VvV) werd op 28 juni 1919, na afsluiting van een op 18 jan. 1919 te Parijs begonnen geallieerde vredesconferentie, in de spiegelzaal van het slot van Versailles door vertegenwoordigers van het Duitse Rijk (Johannes Bell, 1868-1949 en Hermann Müller, 1876-1931, beiden minister in het zojuist aangetreden kabinet Bauer, het voorgaande kabinet Scheidemann was over de verdragstekst gevallen) enerzijds en door 26 geallieerde en geassocieerde regeringen (Rusland ontbrak) anderzijds ondertekend en trad op 10 januari 1920 in werking, maar werd door de Verenigde Staten, Hedjas (thans bij Saoedi-Arabië) en Ecuador niet geratificeerd, zodat de formele beëindiging van de oorlogstoestand eerst door het Vredesverdrag van Berlijn tussen de Verenigde Staten en het Duitse Rijk van 25 aug. 1921, het Duits-Saoedische vriendschapsverdrag van 26 apr. 1929 en het opnieuw aanknopen van de diplomatieke betrekkingen met Ecuador door middel van protocollen en notawisseling (1921-24) plaatsvond. Het in het VvV als verdragspartner genoemde China had het verdrag niet ondertekend en door een apart verdrag van 20 mei 1921 de oorlogstoestand beëindigd. Costa Rica nam aan de onderhandelingen niet deel en beëindigde de oorlogstoestand bij decreet van 4 febr. 1920.

De tekst van het VvV werd tijdens genoemde geallieerde voorbesprekingen als compromis tussen de regeringsleiders van Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten, resp. Clemenceau, Lloyd George en Wilson zonder inbreng van Duitse vertegenwoordigers uitgewerkt en op 7 mei 1919 aan de Duitse regering voorgelegd. Duitse schriftelijke tegenvoorstellen die daarop volgden, werden door de geallieerden nagenoeg volledig afgewezen en op 16 juni 1919 beantwoord met een ultimatum om het verdrag binnen 5 dagen te accepteren. Met het oog op het geallieerde dreigement, Duitsland geheel te bezetten en in de hoop op de mogelijkheid tot een spoedige revisie, veranderde de meerderheid van de Nationale Vergadering van de Weimarrepubliek haar aanvankelijk afwijzende houding en stemde na terugtreden van het kabinet Scheidemann met een meerderheid van 99 afgevaardigden op 22 juni 1919 in met de ondertekening van het verdrag. Overigens ging de blockade van Duitsland tijdens de onderhandelingen door, met alle tekorten (vooral in voedsel) op het thuisfront tot gevolg. Dit was een middel door de geallieerden gebruikt om extra druk op de Duitse onderhandelaars te zetten en ze bijna machteloos te maken.

De artikelen

Behalve een aantal toevoegingen en een reeks aanvullende overeenkomsten omvatte het VvV 440 artikelen in 15 delen. De details waren feitelijk al neergelegd in de wapenstilstandsvoorwaarden van Compiègne van 11 nov. 1918, o.a. het uitleveren van zware wapens, alle onderzeeboten en de Hochseeflotte, het ontruimen van de linker Rijnoever en het vormen van een neutrale zone op de rechter Rijnoever, en annulering van het Verdrag van Brest-Litowsk en de Vrede van Boekarest. Deel 1 van het VvV bevatte het statuut van een Volkenbond (zonder dat Duitsland in tegenstelling tot de andere ondertekenaars daar lid van mocht worden). In de delen II en III waren de nieuwe grenzen van Duitsland vastgelegd. Deel IV behandelde de Duitse belangen buiten Duitsland, zoals het verlies van alle koloniën. Deel V bepaalde dat het Duitse Rijk nagenoeg volledig ontwapend moest worden. In deel VI werden besluiten over krijgsgevangen en oorlogsgraven genomen. Deel VII eiste de uitlevering door Nederland van keizer Wilhelm II (art. 227) en de berechting van (Duitse) "oorlogsmisdadigers" (art. 228-230). Dat zou o.m. betekenen dat een nationale held als Hindenburg zich als een ordinaire moordenaar zou moeten verantwoorden. Na verloop van tijd werd door de geallieerden echter niet meer op dit punt aangedrongen. Een herhaald verzoek om uitlevering van de Duitse keizer was door de Nederlandse regering van de hand gewezen, en de Duitsers werd toegestaan zelf hun zgn. oorlogsmisdadigers te berechten (→ Proces van Leipzig). Maar het waren zeker geen "kopstukken" die in staat van beschuldiging werden gesteld. In de meeste gevallen volgde vrijspraak, werd een milde straf uitgesproken of werden zaken bij gebrek aan bewijs geseponeerd. In de delen VIII en IX kwamen de Duitse herstelbetalingen aan de orde, overigens zonder dat de definitieve hoogte daarvan en de looptijd werden vastgelegd. Fel omstreden, ook buiten Duitsland en zelfs in kringen van de geallieerden, was het beruchte artikel 231 van deel VIII, waarin Duitsland en bondgenoten, en zij alleen, verantwoordelijk werden gesteld voor de schuld aan het uitbreken van de Wereldoorlog, het artikel, waar in feite het gehele verdrag om draaide, want wie geen schuld draagt kan bezwaarlijk ter verantwoording worden geroepen. De delen X-XII hadden o.m. betrekking op de confiscatie van Duitse tegoeden in het buitenland (ca. 10 miljard goudmark). Deel XIII voorzag in de oprichting van een internationale arbeidsorganisatie. In deel XIV werd de terugtrekking van alle Duitse troepen uit de gebieden, die vroeger tot het Russische Rijk hadden behoord, geregeld, alsmede de tijdelijke bezetting van gedeelten van Duitsland zelf. Deel XV ten slotte was een afsluitend hoofdstuk met bepalingen van algemene aard. Door het VvV verloor Duitsland, afgezien van zijn koloniën, 70.579 km2 (van 540.787 km2) van zijn grondgebied met 6,5 miljoen inwoners (1910), wat gepaard ging met een enorme economische schade door het verlies van delfstoffen en landbouwproducten. Zie verder Het einde van de Eerste Wereldoorlog.

De herstelbetalingen

In het VvV was de hoogte van de aan het Duitse Rijk opgelegde herstelbetalingen niet exact vermeld. Door een speciale commissie werd het bedrag tot 21 mei 1921 vastgesteld; tot die datum moest het Rijk 20 miljard goudmark afbetalen, en daarnaast nog allerlei zaken uitleveren als schepen, machines, steenkolen enz. Op een conferentie te Londen in mrt. 1921 werd een som van 226 miljard goudmark genoemd. De Duitse vertegenwoordiging wees dit enorme bedrag af, waarop als sanctie door de geallieerden Duisburg en Düsseldorf werden bezet. Op 5 mei 1921 stelden de geallieerden het totaal aan herstelbetalingen vast op 132 miljard goudmark, wat onder druk van een Londens ultimatum van dezelfde dag (bezetting van het Roergebied) door de Rijksdag (220 tegen 172 stemmen) noodgedwongen werd geaccepteerd. Volgens de Londense eis moest Duitsland 30 jaar lang jaarlijks 2 miljard goudmark betalen alsmede 26% van de waarde van zijn export. Niet verdisconteerd waren de bedragen verbonden aan het verlies van Duits grondgebied en Duitse leveringen van materiële aard op grond van het VvV. Het Duitse Rijk kon aan deze eisen niet voldoen; het kwam in 1923 tot openlijk verzet tegen de Franse bezetting van het Roergebied en er ontstond een enorme inflatie. Dit leidde ook in het buitenland tot de overtuiging, dat de regeling omtrent de herstelbetalingen moest worden herzien. Maar ook de in het zgn. "Dawes-Plan" (naar de Amerikaanse politicus Charles Gates Dawes, 1865-1951) vastgelegde termijnen konden slechts met behulp van internationale leningen, die tegen hoge renten moesten worden aangegaan, worden afgelost. Dit Dawes-Plan, dat o.m. voorzag in opbrengsten uit privatiseringen van Duitse nutsbedrijven en overheidsinstellingen, maar het eindbedrag van de herstelbetalingen evenmin vastlegde, beoogde slechts een voorlopige oplossing te zijn. Doch toen in 1928/29, toen de overheidsfinanciën voor het eerst weer redelijk op orde waren, 2,5 miljard RM betaald moest worden, bleek al spoedig dat dit plan onhaalbaar was. Het op een conferentie te Den Haag in jan. 1930 aangenomen "Young-Plan" (naar de Amerikaanse industrieel Owen D. Young, 1874-1962) moest een definitieve regeling worden, maar ook dit plan bleek tengevolge van de internationale economische crisis die inmiddels was uitgebroken, reeds halverwege 1931 niet te realiseren. Vervolgens werd het Duitse Rijk in het "Hoover-Plan" (naar de Amerikaanse president Herbert Clark Hoover, 1874-1964) een uitstel van betaling gegarandeerd van 1 juli 1931 tot 30 juni 1932. Een commissie van deskundigen publiceerde op 18 aug. 1931 te Bazel het zgn. Layton-rapport, dat de Duitse herstelbetalingen als een der oorzaken van de Duitse economische crisis aanwees. Een volgende conferentie over de herstelbetalingen vond op 9 juli 1932 te Lausanne plaats. Het Verdrag van Lausanne hief het Young-Plan weliswaar niet officieel, maar wel feitelijk op. Duitsland verplichtte zich, bij een in 1930 gestichte overkoepelende internationale bank ("Bank for International Settlements") obligaties ter waarde van 3 miljard RM onder te brengen, die na 3 jaar (1935) binnen 15 jaar (tot 1950) in omloop gebracht mochten worden. Door de machtsovername van de nationaal-socialisten, die het VvV stukje bij beetje buiten werking stelden, werd deze regeling al spoedig tot een farce, terwijl ook de aflossing van leningen, die in verband met de herstelbetalingen waren afgesloten, op een laag pitje kwam te staan. Deze verplichting (tot aflossing van de leningen en betaling van rente) kwam uiteindelijk na de Tweede Wereldoorlog terecht bij de achtereenvolgende regeringen van de Bondsrepubliek. Maar dat is een financieel-technische kwestie die los staat van de herstelbetalingen van het VvV. Zo stierf het VvV een stille dood.

Op zondag 3 oktober 2010, betalen de Duitsers de laatste schulden.

De naweeën

Tot op de huidige dag is een discussie gaande, of en in hoeverre het VvV van invloed kan zijn geweest op het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog. Meestal wordt aangevoerd dat het VvV immers een eenzijdig door de geallieerden aan Duitsland opgelegd verdrag was dat het karakter had van een dictaat met krenkende voorwaarden dat in Duitsland als een groot onrecht werd ervaren, en de voedingsbodem was voor gevoelens van haat en voor revanchisme, waaruit het Hitler-bewind kon ontstaan. Anderzijds wordt gesteld dat de geallieerden zelf in gebreke bleven, toen de nationaal-socialisten het VvV aan hun laars lapten, en, hoewel militair oppermachtig, niet ingrepen, bijv. toen de nazis met een 'tank van karton en een kanon van koek' (W.F. Hermans) het gedemilitariseerde Rijnland bezetten. Er zijn er ook, die het gehele door het VvV ingeluide interbellum zien als een hinderlijke onderbreking van een niet tot de laatste druppel bloed uitgevochten strijd om de hegemonie in Europa. En er zijn stemmen opgegaan, die het VvV nog te mild vonden. Op deze en tientallen andere argumenten wordt in het kader van dit korte artikel echter niet verder ingegaan.

Literatuur

  • Volledige tekst
  • Temperley, Harold William Vazeille (red.): A history of the Peace Conference of Paris. 6 dln. London, 1920-24 (herdr.1969).
  • Mayer, Arno Joseph: Politics and diplomacy of peacemaking. Containment and counterrevolution at Versailles, 1918-1919. London, 1968.
  • Rössler, Helmuth: Die Folgen von Versailles. 1919-1924. Göttingen, 1969.
  • Bariéty, Jacques: Les relations franco-allemande après la Première Guerre Mondiale. Paris, 1977.
  • Sharp, Alan: The Versailles settlement. Peacemaking in Paris, 1919. Basingstoke, 1991.
  • Boemeke, Manfred Franz e.a. (red.): The Treaty of Versailles. A reassessment after 75 years. Washington, 1998.
Afkomstig van WO1Wiki NL, de Vrije Encyclopedie. "http://forumeerstewereldoorlog.nl/wiki/index.php/Verdrag_van_Versailles"
Personal tools