/** * */

Moltkeplan

Het Moltkeplan (1914) was gebaseerd op het Schlieffenplan. Het werd aangepast door de Pruisische generaal Helmuth von Moltke (1848-1916) die von Schlieffen in 1906 opvolgde.

Verschillen tussen beide plannen:

  • Geen aanval op Nederland
  • Een grotere strijdmacht aan het oostelijk front
  • Een veel zwakkere rechtervleugel ten voordele van een sterkere linkervleugel.

Verhoudingen linker- en rechtervleugel:
Schlieffen: 1:9,4
Moltke: 1:3,5

Oorzaken van de mislukking:

De rechtervleugel stootte op meer Belgische weerstand dan oorspronkelijk werd aangenomen zodat het geplande opmarstempo niet werd bereikt. Onder meer de strijd bij de forten van Luik en Namen, de slag bij Halen en twee verrassend sterke uitvallen vanuit de vesting Antwerpen waren door Schlieffen nauwelijks ingecalculeerd. In theorie oogde het plan gedurfd en nagenoeg perfect, de uitvoering door Von Moltke bewees dat de praktijk weerbarstiger is en 'roekeloos' en 'zwak' net zo goed superlatieven kunnen zijn.

De geallieerden kregen al zeer vlug versterking van de Britten. De Belgische neutraliteit werd immers door Groot-Brittannië gewaarborgd. Bijgevolg werd een Brits expeditieleger (B.E.F. = British Expeditionary Force, 4 divisies groot ongeveer één legerkorps, ongeveer 90000 man) naar het front gestuurd. Hoewel deze BEF dus klein was tegenover de miljoenenlegers van Duitsland en Frankrijk, bestond het grotendeels uit geharde veteranen, vaak nog uit de Boerenoorlogen. Het was de hardnekkige weerstand van het BEF, die ondanks zijn numerieke zwakheid, steeds weer in bitse achterhoedegevechten het eerste Duitse leger (de rechterflank) vertraagde in zijn opmars.

Dat de opmars nog redelijk volgens plan verliep en de Duitsers tenminste in de buurt van het einddoel Parijs kwamen (hetgeen van het Franse plan XVII niet gezegd kan worden) lag dan ook eerder aan de fouten van de geallieerden. Die moesten weliswaar terugtrekken maar deden dat op eigen gebied waardoor hun bevoorradingslijnen korter werden, terwijl die van de Duitsers tot het uiterste opgerekt werden. Ondanks dat zo ongeveer alle beschikbare legervoertuigen voor de Duitse opmars werden ingezet, kwam er steeds meer gebrek aan voedsel en munitie voor de Duitsers.

Daar komt nog bij, dat bij het oprukken in vijandelijk gebied het aanvallende leger in het nadeel is. De aanvaller verliest een deel van zijn effectieven aan secundaire taken zoals de verzekering van de aanvoerwegen, bezetting van strategische knooppunten enz. Dit maakte dat de Duitse legers ver onder de normale sterkte aan de Marne aankwamen. Terwijl de mannen dodelijk vermoeid waren van de vele opeenvolgende lange dagmarsen, de affuiten van de kanonnen niet meer in hun beste toestand waren enz.

Er werden voorts nog heel wat troepen ontrokken aan de opmars om andere redenen:

  • Het Derde reservekorps om Antwerpen te belegeren. Al was dit een besparing op het Schlieffenplan die hiervoor 3 korpsen had voorzien. Hierdoor bleef de val van Antwerpen vervolgens wel lang uit, en kon het Belgische leger twee maal op een cruciaal moment een uitval doen (24-25 augustus en 9-13 september). De factor tijd stelde het Belgische leger en de Britse hulptroepen bovendien in de gelegenheid aan de Duitsers te ontkomen, toen Antwerpen uiteindelijk op 10 oktober viel.
  • Het Vierde reservekorps om Brussel te bezetten.
  • Het Zevende reservekorps om Maubeuge te belegeren (het veroveren of op zijn minst omsingelen en isoleren van de de versterkte plaats Maubeuge werd door von Schlieffen gewoon genegeerd in zijn planning).
  • Twee korpsen werden naar het oostfront gestuurd door Molkte die vreesde voor de ontwikkelingen daar.

In 1914 hadden de Russen zich na hun nederlagen tegen de Japanners namelijk zeer goed hersteld. Onder meer met Franse financiële en technische hulp was het Russische spoorwegnetwerk enorm uitgebreid. De Fransen hadden dit als een goede investering gezien en die berekening bleek correct. Frankrijks oostelijke bondgenoot kon zo veel sneller mobiliseren dan Duitsland voorzien had. Op 17 augustus 1914 viel het Russische 8ste Leger Oost-Pruisen binnen met een Duitse nederlaag (de slag bij Gumbinnen (20/08/14) tot gevolg. Dit noopte de Duitsers tot het vervroegd terugtrekken van twee legerkorpsen van het westelijk front om de Duitsers op het oostfront te versterken. Dit was een inschattingsfoutfout want Ludendorff (de nieuwe chef staf na de Duitse initiële tegenslagen) schatte correct in dat deze pas zouden arriveren als de beslissende slagen reeds geleverd waren. Ze kwamen inderdaad aan nadat de plaatselijke Duitse troepen onder leiding van Hindenburg en Ludendorff de twee belangrijkste Russische legers verslagen hadden.

Het "Moltkeplan" beoogde dus de uitvoering van het Schlieffenplan, met minder troepen, die slecht bevoorraad konden worden, waarvan er veel te veel in de achterhoede tegen de Belgen bezig waren, en waarvan een niet te missen deel ook nog eens aan het oostfront werd ingezet. Toen de overgebleven eenheden in de buurt van Parijs kwamen, waren ze uitgeput, niet in het minst door de afmattende geforceerde dagmarsen. Schlieffen had er geen rekening mee gehouden dat de Belgen en Fransen spoorwegen en viaducten onklaar konden maken, zodat de soldaten in een race tegen de klok te voet over de Belgisch-Franse wegen draafden.

Eenmaal in Noord-Frankrijk, was het Schliefenplan slechts uitgetekend tot het moment dat de troepen in de buurt van Parijs waren gekomen. Wat er dan moest gebeuren werd slechts in zeer vage algemene termen uitgedrukt. Met andere woorden: er was geen gedetailleerde planning meer vanaf dat moment. Vanaf hier was het dus Von Moltke die alleen, of hooguit samen met de Oberste Heeres Leitung en de lagere commandanten het plan moest zien te volbrengen.

Von Molkte gaf nadat zijn legers ongeveer de Marne hadden bereikt dus de volgende bevelen: het eerste leger moest oprukken naar ten westen van Parijs, het tweede leger de stad frontaal aanvallen en het derde Parijs aan de oostzijde passeren, het vierde en vijfde die nog in strijd waren met Franse troepen die de benedenloop van de Maas verdedigden moesten naar het westen oprukken om het 1e, 2e en 3e leger te versterken. Deze bevelen werden door allerlei omstandigheden door de bevelhebbers ter plaatse genegeerd en indien uitgevoerd hadden ze geresulteerd in de situatie waarvoor Schlieffen het leger te zwak achtte: de omsingeling van Parijs. Eigenlijk probeerde Von Molkte dus tot het eind toe het Schlieffen-plan uit te voeren! Maar het waren zijn commantanten te velde die dit verijdelden en naar het oosten uitweken.

In plaats van een aanval op Parijs in te zetten na een omsingeling langs het westen besloot generaal von Kluck, bevelhebber van het 1ste Duitse leger ten oosten van Parijs te blijven. Er waren gewoonweg niet genoeg troepen om Parijs ook vanuit het westen te kunnen omsingelen. Schliefen worstelde ook al met deze vraag en dacht hiervoor 200 000 man extra nodig te hebben. Maar hij wist ook dat de logistiek voor zijn plan zonder deze extra troepen al niet te garanderen was, laat staan met nog zoveel meer manschappen. De 'verlichting' van de rechtervleugel door Von Moltke was dus eigenlijk een aanpassing om Schlieffens plan überhaupt logistiek uitvoerbaar te maken. De geplande zwenkbeweging werd gestopt aan de Marne en

Gevolgen van het mislukte plan:

  • 'wedloop naar zee', die geen wedloop was en niet de zee als doel had. Wel trachtte men de vijand voortdurend te omsingelen en de strijdende partijen kwamen zo bij de zee uit.
  • Aan de Noordzeekust zegen de uitgewrongen legers ineen en ging de bewegingsoorlog over in een stellingen- of loopgravenoorlog
  • Na de slag aan de Marne werd von Moltke uit de strijd genomen en vervangen door generaal Erich von Falkenhayn (1861-1922).
  • Het belangrijkste gevolg van het plan als geheel lag in de schending van de Belgische neutraliteit. Hierdoor kreeg Groot-Brittannië van Duitsland op een presenteerblaadje een perfecte volkenrechterlijke aanleiding aangeboden om Duitsland de oorlog te verklaren. De Britse publieke opinie was begin augustus sterk tegen de oorlog gekant en ook de politici waren niet allemaal voor. Haviken in regering en legerleiding zouden echter nooit een grote oorlog op het continent toestaan zonder Britse inmenging, vanwege het machtsevenwicht in Europa. Deze 'oorlogspartij' voorzag al in 1906 in een Brits-Frans-Russische samenwerking, waarop het Franse "Plan XVII" zelfs deels was gebaseerd.
Afkomstig van WO1Wiki NL, de Vrije Encyclopedie. "http://forumeerstewereldoorlog.nl/wiki/index.php/Moltkeplan"
Personal tools