/** * */

Forten rond Luik

fortengordel rond Luik. Achtergrond: Google Maps
Enlarge
fortengordel rond Luik. Achtergrond: Google Maps

Inhoud

Genese

Op 14 juni 1887 besloot de Belgische regering tot oprichting van een ring van forten rond de stad Luik, ongeveer gelijk aan de fortenring rond Namen. Men besloot luitenant-generaal Henri Alexis Brialmont aan te stellen voor het ontwerpen van de forten.

Het was de bedoeling de vallei van de Samber en de Maas ontoegankelijk te maken voor Franse en Duitse agressie. Men voorzag zes forten aan iedere kant van de Maas. De ring zou een totale omtrek van 52 km hebben.

De vesting Luik bestond uit 12 forten, zes kleine en zes grote , op maximaal 9 kilometer van het stadscentrum en met een onderlinge tussenruimte van 2 tot 6 km. De twee reeds bestaande, oudere forten, de citadel en La Chartreuse, werden niet in de verdedigingslinie opgenomen.

De forten

De forten werden naar standaardmodellen gebouwd (dezelfde voor Luik en Namen). Er waren er vier: driehoekig klein fort, driehoekig groot fort, vierhoekig klein fort en vierhoekig groot fort. De lay-out van de grachten kon bij de vierhoekige forten wel verschillen , maar alle forten hadden binnen hun type hetzelfde centraal massief, wat het actief gedeelte van het fort vormde.

Het ontwerp van de forten was op de volgende principes gebaseerd: alle artillerie stond onder pansterkoepels (behalve deze in de kontrescarpkofers) die (behalve de 5,7 cm hefkoepels en één schijnwerper onder hefkoepel) niet intrekbaar waren.

In het centrum van het fort lag het zogenaamde centraal massief. Dit vormde het hart van het fort en zijn bestaansreden. Men kan het best zien als één gigantische betonnen bunker waar alle koepels met kanonnen groter dan 5.7 cm stonden in opgesteld (alle kanonnen voor werking op lange afstand), alsmede hun munitiemagazijnen en bijbehorende lokalen zoals vuurleiding en het algemene commando van het fort. Er was ook één gepansterde schijnwerper onder hefkoepel voorzien op het hoogste punt. Verder was er een grote overwelfde schuilplaats voor de infanterie. (200 man in een groot fort).

De rol van de infanteristen was als volgt: Zij hielden zich schuil in hun schuilplaats (een grote overwelfde ruimte in het centraal massief, ze konden er niet zitten, doch enkel als sardienen opeengepakt staan) tot de vijandelijke beschieting eindigde. Dit betekende dat de vijandelijke infanterie aan haar aanval begon. De Belgische infanterie stormde de trappen naar boven op en nam plaats achter vuurbanketten om op de aanvallende infanterie te schieten (hierbij ondersteund door het vuur van de 5,7 cm kanonnen in de hefkoepels)

120mm dubbeltoren op het Fort van Loncin, de vorm is typisch voor de geschutskoepels van de Belgische forten: Sferisch, niet intrekbaar.
Enlarge
120mm dubbeltoren op het Fort van Loncin, de vorm is typisch voor de geschutskoepels van de Belgische forten: Sferisch, niet intrekbaar.


De grote forten besloegen ongeveer 12 ha en waren uitgerust met:

  • 2 kanonnen van 150 mm
  • 4 kanonnen van 120 mm
  • 2 houwitsers van 210 mm
  • 13 snelvuurkanonnen van 57 mm
  • 450 artilleristen
  • 200 Infanteristen, dit getal kon sterk verschillen naargelang het fort.

De kleine forten besloegen ongeveer 6 ha en waren uitgerust met

  • 2 kanonnen van 150 mm
  • 4 kanonnen van 120 mm
  • 1 houwitser van 210 mm
  • 10 snelvuurkanonnen van 57 mm
  • 250 artilleristen
  • 80 (?) infanteristen, dit getal kon sterk verschillen naargelang het fort.

De actieve organen (kanonnen en infanterie)

De grote kanonnen en houwitsers waren bedoeld voor het verlenen van artilleriesteun in drie vormen:

1. Beschieting van een naburig fort dat bestormd werd en waarvan de eigen infanterie van het dak verdreven was. 2. Beschieting van de intervals ter ondersteuning van de troepen die deze verdedigden. 3. Leveren van tegenbatterijvuur tegen vijandelijke belegeringsbatterijen.

De 5.7 cm snelvuurkanonnen bevonden zich ofwel in de ruimte tussen massief en gracht in hefkoepels, die omhoog gingen als het stuk in actie kwam. Deze dienden ter verdediging tegen aanvallende infanterie buiten de gracht.

Ofwel stonden deze opgesteld in "coffres de contrescarpe": dit waren bunkers in de buitenmuur ingewerkt (waar de vijandelijke artillerie ze niet kon raken) die schietgaten hadden die loodrecht op de gracht geörienteerd waren zodat een kanon in deze opgesteld de lengte van de gracht bestreek. Deze kanonnen konden enkel de grachten beschieten.

Om een gracht te bestrijken waren er 4 schietgaten op 2 verdiepingen in de contrescarpebunker, doch slechts twee snelvuur 5.7 cm kanonnen. Deze stonden opgesteld in de onderste schietgaten en hadden zo vlak vuur over de bodem van de gracht. Ze verschoten kartetsgranaten: dit is eigenlijk een huls gevuld met loden kogels die zich zoals bij een jachtgeweercartouche verspreiden en de hele gracht in één keer als het ware van infanterie schoonveegden .

Indien het fort al lange tijd zwaar beschoten was, kon het zijn dat de schietgaten van de 5,7 cm kannonnen geblokkeerd werden door puin dat ervoor viel. Het kanon werd dan met een lier naar de bovenverdieping getrokken , waar het in een andere affuit kon worden gelegd en terug vuur op de gracht kon openen.

Ook was er een schijnwerper voorzien om 's nachts de gracht te bestrijken.

Lijst van forten

57mm snelvuur kanon op kandelaar affuit zoals gebruikt in de flankeringsorganen
Enlarge
57mm snelvuur kanon op kandelaar affuit zoals gebruikt in de flankeringsorganen


Beginnend in het noorden op de rechteroever van de Maas, werden de volgende forten gebouwd:

Kritische beoordeling

De forten waren ontworpen om weerstand te bieden tegen granaten van 210-220mm howitzers en mortieren. Brialmont ging namelijk van de veronderstelling uit dat de loop van zulk een stuk het zwaarste stuk was dat met paardentraktie doorheen het heuvellandschap rondom Namen en Luik kon vervoerd worden. Met de komst van gemechaniseeerde tractie was dit natuurlijk niet meer zo.

De houten bekistingen voor de gewelven van het fort van Fléron worden aangebracht
Enlarge
De houten bekistingen voor de gewelven van het fort van Fléron worden aangebracht

De muren werden opgetrokken uit ongewapend beton, aangemaakt met grote rolkeien uit de Ourthe. Het beton was over het algemeen van slechte tot zeer slechte kwaliteit. Er zat te weinig cement in en veel te veel rolkeien. Voordat het beton gegoten werd hadden de zwaardere rolkeien de neiging zich te verzamelen op de bodem van het vloeibare beton in de vervoerkarretjes, en zo werden bij het gieten sterk verschillende mixen van keien en cementbeton geschapen. Daarenboven werden de betondaken niet in één laag gegoten doch in verschillende dunne laagjes (ongeveer 20 cm dik) die , ook al omdat er geen wapening was, geen coherente dikke laag vormden, maar eerder een soort van pannenkoekenstapel. Dit alles verminderde de weerstand van het beton ten zeerste.

Ook gebruikte Brialmont, door zijn vertrouwen in de weerstandskracht van het beton, véél te grote ruimten in de forten (bv de munitieopslagplaatsen en het infanterieonderkomen, maar ook de gangen tussen de verschillende torens.) Deze wijde overspaninningen, in tongewelfvorm uitgevoerd, waren natuurlijk zwakker dan smalle ruimten en gangetjes. Trouwens tijdens de moderniseringen in de jaren dertig zou men deze ruimten in kleinere opdelen en ook de gangen versmallen met gewapend beton.(Zie onder)

Doordat dit beton zo slecht was kwamen de Fransen te vlug, na de verovering van deze forten, tot de conclusie dat betonnen forten geen tot weinig waarde hadden in de moderne oorlogsvoering en leidde dit tot de ontruiming van de meeste forten (zie bv Verdun), waarna deze forten haastig terug werden bewapend en in dienst genomen werden nadat bleek dat ze toch een goede weerstand tegen artillerie boden. Een naoorlogs Frans verslag van een Franse onderzoekscomissie die de forten onderzocht stelde laconiek dat het een wonder was dat de forten zelfs in vredestijd overeind bleven staan ondanks de slechte constructie.

Verder was het ontwerp verre van ideaal. Door alle langeafstands-artillerie en belangrijke organen in één reusachtige bunker te concentreren was dit een gemakkelijk doel. Het maakte dat elke granaat op die deze bunker raakte wel iets belangrijk beschadigde of vernietigde of minstens de bemanning van het fort ongemak en stress bezorgde door de schokken, het geluid en het opgeworpen stof en rook. Latere forten streefden ernaar de verschillende organen van elkaar gescheiden te houden (verbonden door ondergrondse tunnels) zodat bv één afzonderlijke geschutskoepel een klein, bijna niet te raken doel werd. (lees voor een voorbeeld hiervan het artikel Gamma Gerät onderdeel inzet over de inzet tegen het Fort van Moulainville).

Men kan Brialmont dit natuurlijk moeilijk allemaal aanwrijven. Hij bouwde immers de eerste betonnen forten ooit (op deze van de Festung Kaiser Wilhelm II te Mutzig na) en kon niet alle problemen die dit kon veroorzaken voorzien. Bovendien was het ontwerp in 1914 al 26 jaar oud en was de militaire technologie sinds de late jaren 1890 steeds sneller gemoderniseerd.

Ook werd hij sterk geplaagd door een gebrek aan kredieten. De Belgische regering wou enkel bekostigen, dat wat zij en niet de militairen, als noodzakelijk zagen. Zo Stelde Brialmont voor om ten noorden van de fortengordel, tussen Luik en de Nederlandse grens, een extra fort de bouwen dat het gat tussen de fortengordel en de Nederlandse grens zou dichten. De Maas is hier immers, zeker in de zomer, gemakkelijk overschrijdbaar. Ten zuiden van de Maas was dit niet zo erg nodig gezien de Maas daar door een dieper dal in een diepere bedding stroomt. Volgens de overlevering zei Brialmont tegen de politici, toen de kredieten voor dat fort werden afgewezen, dat men dit in "bloed met interest zou terug betalen in geval van een oorlog met Duitsland". Hij kreeg gelijk. Door dit gat ten noorden van Luik rukte in 1914 het eerste Duitse leger op en was de gefortificeerde plaats Luik gemakkelijk te omsingelen en af te snijden van ondersteunende troepen. Verder werd er bezuinigd op de kanonnen van de forten: In plaats van moderne kanonnen met rookvrij kruit te voorzien zag Brialmont zich verplicht in 1888 reeds verouderde stukken die buskruit (of zwart kruit) te gebruikten. Ook kreeg Brialmont geen kredieten voor de versterking van de intervals (zie onder).

Trouwens werd het Belgische defensieconcept enkele jaren na de aanleg van de forten totaal veranderd, en werd er terug (zoals in de jaren 1850-1880) gegaan op het concept om Antwerpen als centraal kamp te gebruiken waarop het leger zich kon terugtrekken. Daarom werden de Maas-stellingen gedegradeerd tot secundaire, vooruitgeschoven stellingen, en gingen de beschikbare fondsen naar de constructie van een enorm aantal nieuwe forten en schansen rondom Antwerpen.(waarin trouwens een aantal fouten zouden herhaald worden, en die in 1914 nog niet voltooid waren.) En werd er weinig tot geen zorg besteed aan de modernisering van de Maas-forten.

De intervals

Door gebrek aan kredieten waren de intervals tussen de forten niet versterkt. In de meeste buitenlandse fortengordels gebeurde dit wel: er werden beschermde manschappenonderkomens voorzien, versterkte batterijen voor veldgeschut , munitiemagazijen, commandoposten, kleinere infanteriestellingen, enz.; (ook weren er grote hoeveelheden prikkeldraad opgeslagen om de intervals ervan te voorzien) die in oorlogstijd door reservisten of gedeelten van het veldleger konden bemand worden. Dit was des te erger te Luik omdat door het heuvelachtige terrein er veel dode hoeken waren die niet door de forten konden gezien worden of door hun geschut bestreken. Men ging er in België van uit dat bij een eventuele oorlogsverklaring de manschappen die de intervals moesten bezetten wel loopgraven en zo zouden improviseren. Maar vergeet niet dat dit 1914 was en dat de meeste troepen niet overtuigd waren van het nut van loopgraafsystemen en de troepen die de intervals moesten bemannen slechts weinig gemotiveerd waren om deze te graven, hoewel de civile bevolking mee werd gemobiliseerd om verdedigingswerken aan te leggen. Daarom waren de zogenaamde loopgraven die hier en daar dan toch werden aangelegd vaak slechts niet veel meer dan ondiepe grachtjes.

De belegering

Generaal Gerard Leman bezette de forten vanaf augustus 1914 met ongeveer 3 000 manschappen, met tussen de forten nog eens 23 000 man van de 3° Belgische divisie en de 15° gemengde brigade.

Beoordeling van de forten tijdens de belegering

De forten waren nooit aangepast aan de nieuwste artillerieontwikkelingen (: mortieren met een kaliber van 42 cm. Desondanks hadden de Duitsers deze Dikke Bertha's bij de begindagen van de Eerste Wereldoorlog niet meegenomen naar Luik, omdat men niet op veel tegenstand rekende en de verwachting was dat de forten onder beschieting met 21 cm artillerie, gevolgd door een infanteriebestorming, geen stand zouden houden (wat inderdaad bij twee forten gebeurde). Het 21 cm geschut bleek echter weinig uitwerking te hebben: bij het begin van de beschieting verliet de Belgische infanterie de stellingen op de daken van de forten om in deze te schuilen, om bij het einde weer tevoorschijn te komen en de aanstormende infanterie neer te maaien. De verliezen aan Duitse zijde bedroeg in de duizenden. Alsnog werden de 2 Dikke Bertha's naar Luik gestuurd (deze waren op dit moment eigenlijk nog bezig met proefschieten in Duitsland, voor het transport requisitioneerde men benzine aangedreven trekkers van een cirkus (!) ), Twee stuks Bèta Gerät aangevoerd per spoor, samen met 8 stuks gemotoriseerde Škoda 30.5 cm Mörser M.11 die door het Oostenrijks-Hongaarse leger werden uitgeleend om de crisis zo snel mogelijk de baas te kunnen: een groot deel van de oh zo belangrijke rechterflank (600.000 man) van het Duitse leger lag te wachten en verloor essentiële tijd tot de forten waren uitgeschakeld (zie het Schlieffenplan).( Er ging lange tijd het gerucht dat er ook een batterij Gamma Gerät zou zijn ingezet aangezien de Luikenaars zware kanonnen hadden zien opstellen in de stad, die via het spoor werden aangevoerd, doch dit moet een verwarring zijn met het ook met het spoor aangevoerde Bèta Gerät).

Een ander punt was dat de (verouderde) artillerie in het fort een veel te kleine reikwijdte (max 8,5 km) had tegenover de veel modernere mortieren die ertegen werden ingezet. Dit maakte dat de Duitse en Oostenrijk-Hongaarse zware houwitzers (dracht tot 12 km) ongehinderd hun werk konden doen zonder rekening te moeten houden met tegenvuur. Trouwens de kanonnen van de forten gebruikten nog buskruit als aandrijflading en niet het overal in gebruik zijnde krachtigere rookarme kruit. Ook waren de granaten sterk verouderde gietijzeren granaten met een kleine vulling van buskruit. Die veel minder ontploffingskracht hadden dan de moderne granaten van het Duitse leger.


Gepantserde schijnwerper in intrekbare koepel, 360° traverse, één per fort voorzien
Enlarge
Gepantserde schijnwerper in intrekbare koepel, 360° traverse, één per fort voorzien

Naast De gevolgen van de Duitse beschietingen leden de forten nog het meest aan gebreken in het ontwerp. Zo was er bijna geen luchtverversing voorzien en werden de dikke, giftige rookwalmen van het buskruit na het afschieten van de kanonnen naar binnen gezogen. Ook de rook van treffers kwam in het fort terecht. In het fort van Loncin bijvoorbeeld kwam de hele bemanning van een flankeringsorgaan om in de giftige walmen (gasmaskers bestonden nog niet). Verder gaf iedere voltreffer (ook als die niet penetreerde) door de schok een geweldige hoeveelheid stof en gruis af aan de binnenkant van de betonnen muren en daken, wat verder tot de slechte atmosfeer leidde.

Verder waren de sanitaire voorzieningen sterk onvoldoende. Er waren primitieve latrines in het fort, maar deze bevonden zich aan de buitenkant van de gracht, en iemand die naar het toilet moest zou daarom zijn gevechtspost moeten verlaten en onder de vijandelijke beschieting de gracht over steken om een latrine te bereiken. Daarom werden er overal "latrine" emmers gezet die al snel overliepen.

Ook de slaaponderkomens en de keukens en voedselvoorraden bevonden zich in de contrescarpmuren aan de buitenkant van de gracht, en eten moest dus ook in open lucht onder beschieting naar de bemanning in de gevechtsposities worden gedragen. Doordat de slaaponderkomens aan de andere kant van de gracht lagen, bleven de bemanningen op hun gevechtsposten waar ze, zo goed en kwaad als het kon, wat rust probeerden te vinden tijdens de pauzes in het gevecht. Ook was er slechts één bemanning voor de bewapening, wat betekende dat deze hun gevechtsposten nooit konden verlaten tijdens de gevechten, men moest immers op elk moment klaar staan om bv een eventuele bestorming af te slaan. (In de latere Maginot lijn werd dit probleem opgelost door de forten van een drievoudige bemanning te voorzien: terwijl de ene bemanning de wapens bediende in een shift van 8 uur, had het tweede derde de taak om in de buurt van de gevechtspost te rusten om eventueel gewonden te vervangen of kleine uitvallen uit de bunkers te doen en had de rest van de fortbemanning vrijaf gedurende 8 uur en kon rustig slapen in diepe onderaardse schuilplaatsen, goed eten, zich wassen enz.)

Het einde van de belegering

De Belgische troepen in Luik konden uiteindelijk tien dagen stand houden. Op 16 augustus 1914 raakte een 42 cm granaat de munitiekamer van fort Loncin. Het fort ontplofte; honderden Belgen waren op slag dood. Hiermee kwam de strijd om de forten van Luik aan een einde. Generaal Gerard Leman die zich in dit fort bevond, werd bewusteloos gevangengenomen, maar overleefde het wel. Pittig detail is dat hij erop stond (en gedaan kreeg) dat in de annalen van de eenheid die hem aantrof werd vermeld dat hij bewusteloos was toen ze hem aantroffen, en hij zich dus niet had overgegeven, véél eervoller. Na de oorlog ontstond er daarom een beperkte heldencultus rondom deze figuur die zich niet had overgegeven.(hij stierf in 1920)

De commandanten van de twee laatste forten, Hollonge en Flémalle, kregen op Duitse uitnodiging een vrijgeleide om de destructie die de Duitse artillerie teweeg gebracht had op fort Loncin te gaan bekijken. Waarna zij tot de conclusie kwam dat tegen wapens van dit kaliber geen zinnige weerstand geboden kon worden waarbij ook nog eens hun forten zich in een totaal geïsoleerde positie bevonden. Hollonge gaf zich over op 16 augustus 1914 om 07.30 uur, Flémalle om 9.30 uur.

Conclusie

Hoewel de forten in 1914 niet meer opgewassen waren tegen het zwaarste geschut, moet het effect op de Duitse opmars niet onderschat worden. De Duitsers vielen op 6 augustus 1914 aan met de verwachting Luik in drie dagen tijd te kunnen voorbijmarcheren. (een typische overoptimistische schatting van het Schlieffenplan) Echter, pas op 16 augustus viel het laatste fort en daarmee de vesting Luik. Pas daarna, met een vertraging van meer dan een week, konden de Duitsers door België heen trekken om zo Parijs te bedreigen. Het Schlieffenplan voorzag in een verrassingsaanval op Parijs via België. Door de Duitse vertraging bij Luik kreeg het Franse leger de tijd om zich te hergroeperen. Het is niet ondenkbaar dat Duitsland Parijs veroverd zou hebben als de forten bij Luik er niet waren geweest.

Lessen getrokken uit de belegering

Samen met de belegering van andere fortengordels in Frankrijk, Oostenrijk-Hongarije en Rusland, konden devolgende lessen worden getrokken voor de fortificatiebouw:

1. Het beton: dit moest gewapend (met wapeningen zeer zwaar uitgevoerd, zelfs met stalen T-balken) worden uitgevoerd met zeer goede controle van de samenstelling. Indien mogelijk moest een betonbedekking in één keer gegoten worden. Het beton moest binnenin met dunne stalen platen worden gedoubleerd om stof en gruis veroorzaakt door inslagen te vermijden. (afhankelijk van de compositie, het aanbrengen en het laten uitdrogen van het beton kon dit tot een factor 4 sterker zijn)

2. Het algemene plan van een fort: actieve organen (geschutskoepels, waarnemingsstanden etc..) moesten verspreid worden opgesteld waardoor deze een klein doel werden dat slechts door een voltreffer kon worden uitgeschakeld.

3. Luchtverversing: de luchtverversing van het fort was zeer belangrijk (zeker na de komst van gas in de oorlogsvoering). Daartoe werden de meeste forten uitgerust met een overdruksysteem: lucht werd aangezogen en ging door gasfilters waarna het in het fort werd gepompt. Hierbij werd er voor gezorgd dat de luchtdruk in het fort groter was dan erbuiten zodat in geval van kieren en schietgaten de lucht vanbinnenuit naar buiten stroomde en niet omgekeerd.

4. Onderaardse ruimten: alle organen die niet essentieel aan de oppervlakte moesten liggen (actieve organen) werden (magazijnen, commandoposten, manschapsverbijven, algemene nutsvoorzieningen) diep onder de grond ingegraven (typisch zo'n 15 à 30 meter) (zie ook de Travaux 1917, waar men in Frankrijk hier reeds mee begon tijdens de eerste wereldoorlog). Ruimten voor manschappenverblijf, slaapruimtes, keukens enz. werden niet onder het fort zelf ingegraven doch een eindje erbuiten zodat men er geen last ondervond van zware granaten die op het fortterrein insloegen.

5. De intervals moesten goed gedekt worden door kleinere werken en bunkers. Uitwendige waarnemingsposten moesten worden voorzien om de dode hoeken van de forten te dekken.

6. Bemanning: men ging indien de financiën het toelieten op een dubbele of drievoudige bemanning over, deze had dan een shift van 8 tot 12 uur op de gevechtsstanden en een rustperiode van 8 tot 12 uur, terwijl de bewapening constant bemand bleef.

7. Fortengordels rond steden waren gedoemd om na enige tijd veroverd te worden als het veldleger ze niet snel terug ontzette, daarom gingen de meeste landen over op het bouwen van fortenlinies, die hele stukken van de grenzen afdekten.

Weetjes

  • Als kleine noot kan worden opgemerkt dat Generaal Ludendorff met zijn energieke optreden de val van het fort sterk versnelde, en hierdoor naar de hogere echolons in de Duitse bevelvoering kon doordringen.
21 cm Turmhaubitze M 1891: een oorspronkelijk bij Krupp bestelde 21 cm howitzer voor gebruik in de forten van Luik, Namen en Antwerpen omgebouwd tot veldgeschut
Enlarge
21 cm Turmhaubitze M 1891: een oorspronkelijk bij Krupp bestelde 21 cm howitzer voor gebruik in de forten van Luik, Namen en Antwerpen omgebouwd tot veldgeschut
  • Naar het einde van de oorlog toe verzamelde het Duitse leger de 21 cm houwitsers van de forten van Luik, Namen en Antwerpen, moderniseerden deze en namen deze in gebruik als "nood" veldgeschut. Daarbij wist men de reikwijdte van deze houwitsers door moderne granaten en gebruik van rookarm kruit van 6,9 km naar 9,1 km doen stijgen.
  • De Duitse bezetters repareerden gedeelten van de forten en versterkten deze met gewapend beton, om deze eventueel als terugvalpositie bij een grote terugtocht te kunnen gebruiken.
  • Als dank voor de hardnekkige verdediging kreeg de stad Luik het Franse Légion d'Honneur.
  • Na de eerste wereldoorlog werd er een nieuwe fortengordel van 4 forten rond Luik aangelegd. Om deze te ondersteunen werden de 8 van de oude forten gemoderniseerd (deze op de rechteroever van de Maas en de twee meest oostelijk gelegen forten op de linkeroever). Men verzamelde overgebleven geschutskoepels van de forten van Antwerpen, Namen en Luik, en herbewapende de forten in deze koepels met modern langeafstandsgeschut (bereik tot 18km voor de 15cm kannonen) zodat dit geschut de 4 moderne forten van de buitenforten konden ondersteunen.(wat ze tijdens de tweede wereldoorlog ook deden.) Magazijnen, manschapsverblijven etc. werden nu diep onder de grond begraven. Waar mogelijk werden de bestaande ruimtes van het centraal massief binnenin ondersteund door een laag gewapend beton of werden zelfs ruimten in verscheidene kleinere ruimten verdeeld en de daken zo beter ondersteund met muren en binnendaken van gewapend beton. Gangen (die in het oorspronklijk ontwerp ruim en hoog waren uitgevoerd) werden sterk versmald en verlaagd door binnenin extra daken en muren van gewapend beton te voorzien. Niet gebruikte ruimten (ondermeer de vroegere commandoposten, infanterieruimten en magazijnen) werden opgevuld en enkel de echt nodige ruimten onder de geschutskoepels en smalle verbindingsgangen bleven behouden. Er was geen infanteriekomponent meer, de forten waren pure artilleriesteunpunten geworden. Ze hadden wel de beschikking over mitrailleurs voor de gracht en glacis verdediging. Ook werd een modern verluchtingssysteem ingebouwd met overdruk. Uniek in de geschiedenis van de fortenbouw zoog dit verluchtingssyteem lucht aan uit hoge betonnen torens (zo'n 15 meter hoog). Deze werden zo hoog gezet omdat de eerste wereldoorlog had uitgewezen dat gifgas zich in wolken dicht boven het oppervlakte verspreidde. Deze torens werden buiten de eigenlijke forten geplaatst en deden ineens dienst als vuurleidingstorens en mitrailleurposten met een schitterend schootsveld. (doch ze vormden natuurlijk zelf een prachtig doel)

Ook werden de intervals voorzien van kleine bunkers en waarneemposten om de dode hoeken te dekken. Nadat de moderne forten van de buitenste ring waren gevallen of omsingeld waren, richtte de Duitse aanval zich op de oude forten die, net zoals in de eerste wereldoorlog, zo'n 10 dagen stand hielden, waarbij ze zich vaak moesten overgeven omdat ze alle munitie hadden opgeschoten in de felle gevechten. (Waarbij ze ook nog getroffen werden door 500 kg bommen van Stukas, die wegens hun grote inhoud aan springstof (relatief veel groter dan bij granaten) hele stukken van het ongewapende beton afsloegen)

Afkomstig van WO1Wiki NL, de Vrije Encyclopedie. "http://forumeerstewereldoorlog.nl/wiki/index.php/Forten_rond_Luik"
Personal tools