/** * */

Duitse legercommuniqués 1914-1918

De pers maakte in de lange periode van vrede tussen 1871 en 1914 een enorme kwalitatieve, kwantitatieve en technische ontwikkeling door, en de toenemende invloed die daarvan uitging op de openbare mening, leidde er in Duitsland toe dat er ook in hoge militaire kringen reeds in vredestijd belang werd gehecht aan contacten met de pers. Die contacten gingen in eerste instantie uit van hogere bestuursorganen, niet zozeer van de generale staf of van militaire bevelhebbers, die schijnbaar nog altijd een zeker vooroordeel jegens de publiciteit koesterden.

De marine ging in deze ontwikkeling voorop. In 1889 was als verantwoordelijk bestuursorgaan het rijksministerie van Marine opgericht. Toen in 1897 admiraal Alfred Tirpitz de taken van de toenmalige staatssecretaris ( = minister) overnam, richtte hij al snel een eigen voorlichtingsdienst op: het persbureau van het ministerie van Marine. In zijn memoires verklaarde hij dit opmerkelijke besluit als volgt: "Ik beschouwde het als mijn recht en mijn plicht, om breed uit te dragen, welke belangen hier op het spel stonden." Omdat daarvoor geen post op de begroting was opgenomen en ook niet te verwachten was, werkte hij met donaties: "Ook dat was in Duitsland een nieuwe methode." De persdienst werd een voorbeeld voor andere. Door het gewicht, dat Tirpitz aan propaganda hechtte, nam deze dienst binnen het ministerie spoedig een zeer belangrijke plaats in, en overvleugelde in korte tijd ambtelijke voorlichtingsdiensten elders. Daardoor kwam het, dat de Keizerlijke Marine over een uitstekende en ervaren organisatie voor oorlogsberichtgeving beschikte, toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, waarvan ze ook tijdens de oorlog goed gebruik wist te maken.

Geheel anders stonden de zaken er bij het leger voor. Weliswaar had men bij het Pruisische ministerie van Oorlog sinds de ambtstijd van generaal Walter Bronsart von Schellendorf (1893-96) de contacten met de pers geïntensiveerd, maar was de oprichting van een eigen voorlichtingsdienst mislukt, omdat de Rijksdag in de herfst van 1913 en het voorjaar van 1914 de middelen daarvoor had geweigerd. Het ministerie van Oorlog bezat daardoor sinds sept. 1913 slechts één op het voorbeeld van het ministerie van Marine gebaseerde persafdeling. Toen het ministerie van Oorlog er in januari 1914 op aandrong, bij de diverse staven voorlichtingsdiensten in te stellen, had een aantal bevelhebbers, zoals hierboven geschetst van oudsher gekant tegen publiciteit, daar bezwaren tegen geuit. Hierdoor was de berichtgeving over de voorbereiding van de mobilisatie beperkt gebleven tot de vermelding op een voor journalisten bestemde lijst van onderwerpen, waarover in tijden van oorlog geen verslag mocht worden gedaan. De Wereldoorlog was de eerste oorlog in een tijdperk, waarin de pers een macht van betekenis werd. Maar in het kader van de mobilisatie werd tegelijkertijd de militaire censuur ingevoerd.

Met het uitroepen van de oorlogstoestand op 31 juli 1914 was het bevoegd gezag in Duitsland met uitzondering van Beieren overgegaan op de militaire bevelhebbers. Het werd voor Berlijn en de provincie Brandenburg door de opperbevelhebber aldaar, in de rest van het rijk door de plaatsvervangers van de bevelvoerend generaals uitgeoefend. Op 1 augustus 1914 verschenen in Berlijn kennisgevingen van de opperbevelhebber, von Kessel, waaronder ook een over de invoering van censuur. Daarmee was de militaire greep op informatie een feit. Men beperkte zich echter niet tot controle op de naleving, die ambtshalve plaatsvond, maar zocht daarbij ook nog persoonlijk contact met de pers. De dienstonderdelen die in het vaderland achterbleven, zoals de plaatsvervangende generale staf van het leger en de opperbevelhebber in Berlijn en Brandenburg, hielden op 1 augustus en in de dagen daarop besprekingen met de pers, waarbij gewezen werd op het geheimhouden van militaire berichten en tegelijk uiterste terughoudendheid bij de oorlogsverslaggeving werd geëist.

Als het uur van de waarheid zou aanbreken, zou de generale staf zich in zijn berichten echter niet terughoudend opstellen; men zou de zaken niet mooier voorstellen dan ze waren, maar zakelijk en eerlijk zeggen, wat te zeggen viel. Daarom verlangde men onvoorwaardelijke steun van het opperbevel. Men oefende een strenge censuur uit met een tweeledig doel: de bevolking moest niet onnodig worden opgezweept of ongerust gemaakt, en de vijand zou geen voordeel uit voorbarige of onjuiste mededelingen kunnen trekken. Dat betekende vanaf dat moment zwijgen, geheimzinnigheid, en het verspreiden van berichten die hoop en vertrouwen opwekten.

Nog in augustus 1914 begon de plaatsvervangende generale staf in Berlijn persconferenties te organiseren om de pers te informeren over belangrijke gebeurtenissen. Uit de dagelijkse contacten die de plaatsvervangende generale staf, de marine en de voor het toezicht op de pers verantwoordelijke opperbevelhebber in Berlijn en Brandenburg met de pers hadden, ontstonden al spoedig geregelde bijeenkomsten, die eerst dagelijks, later tweemaal in de week plaatsvonden.

Daar het zwaartepunt van de oorlogsvoering bij het leger lag, kon volgens Duitse opvatting alleen de hoogste militaire leiding te velde, dus de chef van de generale staf van het leger, de instantie zijn voor het verstrekken van berichten over het verloop van de oorlog. De generale staf had zich weliswaar in vredestijd verre gehouden van contacten met de pers en over de voorbereidingen van de mobilisering geen mededelingen gedaan, omdat men de pers uitsluitend beschouwde als een politiek orgaan, maar bij het uitbreken van de oorlog kon de chef van de generale staf niet langer om deze kwestie heen. De toenmalige majoor Nicolai, tijdens de oorlog afdelingschef (III B) bij de staf van de chef van de generale staf van het veldleger, meldde daarover: "Op 2 augustus 1914 beval kolonel-generaal v. Moltke na te gaan welke maatregelen getroffen waren om de bevolking voor te lichten of de publieke opinie in gunstige zin te beïnvloeden, en wat de rol van de pers daarbij kon zijn. Ik moest hem melden dat er nog niets was voorbereid. Generaal v. Moltke gaf mij toen opdracht om ervoor te zorgen, dat het opperbevel steeds op de hoogte bleef over wat er onder de bevolking leefde. Hij omschreef de pers als een onontbeerlijk middel bij de oorlogsvoering. Aan deze opvatting heeft het opperbevel steeds vastgehouden; het was de basis voor de eigen persdienst, waarvan de leiding aan Afdeling III B werd opgedragen." Daaruit bleek, dat "de generale staf pas een persdienst kreeg toen het oorlog was, dat men zelf nooit iets had voorbereid, dat de rijksregering er geen enkele aandacht aan had besteed, maar ook dat oorlogsvoering zonder persdienst niet mogelijk was."

Het onderbrengen van de persdienst bij Afdeling III B bewijst dat persbreidel nog altijd als vanzelfsprekend gold, want de voornaamste taken van deze afdeling waren spionage en contraspionage. Om deze handelwijze enigszins te rechtvaardigen werd door de generale staf op 3 augustus op een in het rijksdaggebouw belegde persconferentie gemeld: "We zullen niet altijd alles kunnen zeggen, maar wat we u zullen meedelen, is waar."

De door kolonel-generaal v. Moltke ingeslagen weg werd ook door zijn opvolgers bewandeld. Generaal v. Falkenhayn had met de oprichting van de Oorlogspersdienst op 14 okt. 1915 en met het instellen van de persdienst te velde in maart 1916 eveneens het belang van geestelijke leiding of een zekere morele sturing ingezien. Het nieuwe opperbevel onder Hindenburg en Ludendorff hield zich zelfs energiek, zij het uiteindelijk vruchteloos, bezig met methodes om de pers als propagandamiddel te exploiteren, wat aanzienlijk verder ging dan de gebruikelijke militaire berichtgeving.

Hoe dan ook, de militaire leiding beschouwde het als een verplichting om te zorgen voor een correcte nieuwsvoorziening over het verloop van de oorlog. Dit gebeurde naast het toelaten van journalisten tot het oorlogsgebied in de eerste plaats door de uitgave van het legercommuniqué, waartoe zich de officiële berichtgeving aanvankelijk beperkte. Het werd eerst door kwartiermeester-generaal von Stein, na diens vertrek tijdelijk door de Afdeling III B en daarna tot aan het eind van de oorlog door de Afdeling Operatiën opgesteld. III B moest het aan de pers uitreiken, wat via de plaatsvervangende generale staf, vanaf 1917 via de Oorlogspersdienst geschiedde. Had Afdeling III B op het opstellen van het communiqué geen directe invloed, toch was de afdelingschef verplicht de uitwerking ervan op leger en vaderland te toetsen, voor hij het doorgaf. Met voorstellen om iets aan te passen werd steeds rekening gehouden. Zo behield ook het belangrijkste onderdeel van het Grote Hoofdkwartier, het opperbevel, de bevelvoerende instantie voor de grote operaties van het leger, zich het recht voor officiële mededelingen te doen over die operaties. Men beperkte zich echter niet zoals bij de veldtocht van 1870/71 tot het behandelen van puur militaire zaken, maar keek ook naar de propagandistische aspecten. Het nadeel was daarbij alleen, dat de daarvoor ingezette medewerkers geen ervaring op het gebied van pers en propaganda hadden.

Zoals gezegd werd het communiqué aanvankelijk niet opgesteld bij de Afdeling Operatiën, maar merkwaardig genoeg bij de kwartiermeester-generaal, die volgens de toenmalige opvattingen niet tot de operationele leiding behoorde, aangezien zijn taak het toezicht op de verzorging en bevoorrading van de diverse troepenonderdelen was. Het is voorts kenmerkend voor de persoonlijke opvattingen van de betrokken officieren, dat von Stein, de eerste kwartiermeester-generaal tijdens de oorlog, later Pruisisch minister van Oorlog, in zijn memoires uit die tijd met geen woord over zijn activiteiten in dezen rept, terwijl zijn naam in Duitsland en de wereld vooral bekend is geworden door zijn ondertekening van de communiqués. Toen generaal von Stein op 12 september 1914 tot bevelvoerend generaal van het 14de reservekorps was benoemd, volgde vanaf 15 september geen ondertekening meer, want zijn opvolger als kwartiermeester-generaal, generaal-majoor v. Voigts-Rhetz, liet bewust de ondertekening met naam achterwege, wat algemeen werd betreurd. Zijn opvolgers – hij stierf al op 19 november 1914 – de generaals Wild von Hohenborn, Baron von Freytag Loringhoven en Hahndorff namen deze zelfverloochening vreemd genoeg over. Reeds op 13 oktober 1914 verscheen als ondertekening de vermelding "opperbevel", wat in de dagen die volgden, af en toe herhaald werd; vanaf 5 november 1914 daarna regelmatig. Pas generaal Ludendorff voerde na zijn benoeming op 29 augustus 1916 tot 1ste kwartiermeester-generaal de persoonlijke ondertekening opnieuw in. Op 30 augustus 1916 was er nog sprake van "opperbevel", vanaf 31 augustus dan echter regelmatig "de 1ste kwartiermeester-generaal. Ludendorff". Op de dag dat Ludendorff vertrok (26 oktober 1918) luidde de ondertekening "de chef van de generale staf van het leger", wat onmiddellijk overal opviel. Pas op 1 november 1918 voerde generaal Groener deze oude gewoonte weer in, zodat het daarna tot aan het einde "de 1ste kwartiermeester-generaal. Groener" werd.

De distributie van de legerberichten vond vanaf de eerste oorlogsdag plaats via het telegraafkantoor van de firma Wolff, weliswaar een voorkeursbehandeling ten opzichte van andere persbureaus, maar naar de mening van Nicolai was dit in het belang van hetgeen waar het om ging niet te voorkomen, want "de generale staf kon, vooral in het begin, toen het contact met de pers nog niet optimaal was, maar met één instantie samenwerken, vanwege de vertrouwelijkheid die bij de publicatie van officiële mededelingen vereist was." Alle door Wolff verzonden officiële berichten moesten ongewijzigd in de kranten worden afgedrukt. Elk commentaar was verboden. Zelfs het onderstrepen of spatiëren van een enkel woord mocht niet. Tegen redacteuren, die zich hier, al was het maar om technische redenen, niet aan hielden, werd streng opgetreden.

Het eerste door kwartiermeester-generaal von Stein ondertekende communiqué was een uitvoerige rechtvaardiging voor de terughoudende berichtgeving over de inname van Luik en werd op 10 augustus 1914 via Wolff bekendgemaakt. Daarin werd o.a. nogmaals bezworen: "Ons volk kan ervan overtuigd zijn, dat wij noch fiasco's zullen verzwijgen, noch successen zullen overdrijven. Wij zullen de waarheid zeggen en hebben het volste vertrouwen, dat ons volk ons meer dan de vijand zal geloven, die zijn situatie waarschijnlijk zo rooskleurig mogelijk zal voorstellen. Wij moeten echter met onze berichten terughoudend zijn, zolang ze onze plannen aan de wereld kunnen verraden."

De tijdige en doelmatige uitgifte van de legerberichten aan de pers ging met enige problemen gepaard, omdat ze zowel 's morgens als 's avonds verschenen. Het beste leek ten slotte om de communiqués 's morgens om 11 uur af te sluiten, zodat het bericht in de avondkranten kon verschijnen en het – vanaf oktober 1916 – 's nachts door een korte vermelding over wat er in het verloop van de dag gebeurd was, ten behoeve van de ochtendkranten aan te vullen. Tegelijkertijd werd het telegrafisch aan het front verspreid en zo bij de vijand bekend.

De berichten van de eerste oorlogsdagen werden in Berlijn bekendgemaakt. Het eerste officiële communiqué van het leger volgde op 5 augustus 1914 via Wolff en deed verslag van het in de pan hakken van een cavaleriebrigade bij Soldau (Oostpruisen). Dit bericht was, net zoals vele andere, niet ondertekend. Pas vanaf 27 augustus verscheen dagelijks een ondertekend legerbericht met een als vast bovenschrift "Het Grote Hoofdkwartier" met datum en ondertekend met "kwartiermeester-generaal v. Stein". Behalve dat werden er nog via Wolff aparte berichten verspreid als daar behoefte aan was, die niet van een ondertekening waren voorzien.

Omdat de vijand zijn communiqués meestal twee- of driemaal daags uitbracht en daarin inspeelde op de Duitse berichten en omdat in het kader van volledige openheid van de verslaggeving destijds het bekendmaken van vijandelijke berichten in Duitsland toegestaan was, was men al spoedig gedwongen iets te ondernemen tegen de schadelijke propagandawerking die van de vijandelijke communiqués uitging. Daar dit vanwege ruimtegebrek in de eigen legerberichten niet mogelijk was, besloot men – hoewel tamelijk laat - vanaf het jaar 1918 de Duitse communiqués dagelijks van ambtswege aan te vullen met een commentaar. De formulering werd overgelaten aan de militaire afdeling van het ministerie van Buitenlandse Zaken, die de daarvoor benodigde informatie van een officier van de generale staf kreeg, die voor dit doel gedetacheerd was bij het opperbevel en die de nodige stukken van de Afdeling Operatiën ontving.

De taal van de legerberichten was de zakelijke en beknopte taal van de Pruisische generale staf en bestond louter uit mededelingen over de krijgshandelingen zonder politieke of propagandistische toevoegingen of formuleringen, want de regering was er op geen enkele wijze bij betrokken. Rijkskanselier von Bethmann wilde niets met de pers te maken hebben. Hij hield zich op de achtergrond, omdat het volk meer vertrouwen had in de legerleiding vanwege de successen op het slagveld. Deze terughoudendheid was nadelig en zou nu ronduit als onverstandig worden beschouwd, want het bracht met zich mee, dat bij de bovenvermelde dagelijkse persconferenties op geen enkele wijze een eensgezinde, vastberaden politieke opstelling doorklonk.

De inhoud van de legerberichten berustte, zoals al werd gezegd, op de documenten van de Afdeling Operatiën. Zo konden er af en toe vergissingen insluipen, die al voorkwamen in de berichten die van het front afkomstig waren. Het corrigeren daarvan liet men achterwege, omdat dit wel uit volgende communiqués zou blijken.

De lengte van de fronten maakte het noodzakelijk dat de inhoud van de berichten niet meer kon zijn dan een korte samenvatting. "Er moet nog op gewezen worden, dat een verkeerde weergave al daarom onmogelijk was, omdat de betrokken troepen het bericht ook ontvingen," aldus Nicolai. De journalisten, die zich na de oorlog, dus na het opheffen van de censuur, hierover vrij konden uitspreken, waren echter een andere mening toegedaan. Het moet zonder meer worden toegegeven, dat de officiële Duitse communiqués bij het begin van de oorlog in hun korte en duidelijke bewoordingen de waarheid alle eer aandeden. Pas toen het tij keerde, kregen de berichten niet alleen een meer versluierend karakter, maar het kwam helaas ook voor, dat ze de waarheid onderdrukten en leugens verkondigden.

Een toenmalige medewerker van de Afdeling Operatiën bevestigde tegelijkertijd, dat de officiële berichtgeving van de legercommuniqués ook in de laatste oorlogsweken overeenkwam met de feiten. Successen werden niet opgeblazen. Ook echecs werden niet verzwegen, maar de formulering mocht niet te somber zijn, omdat met het effect op het buitenland en op de bondgenoten moest worden rekening gehouden, terwijl het melden van fiasco's in het vaderland ook niet bijdroeg om de moed erin te houden, en in de pers en op de beurs tot een almaar stijgende nerveuze stemming leidde.

Over de waarde en de geloofwaardigheid van de legerberichtgeving uitte zich een medewerker van naam aan de gezaghebbende, destijds door het "Reichsarchiv" begonnen officiële geschiedschrijving "Der Weltkrieg 1914 bis 1918", directeur von Schäfer van het "Reichsarchiv", later "Kriegsgeschichtliche Forschungsanstalt des Heeres" als volgt: "De eigen zowel als de vijandelijke berichten zijn natuurlijk dikwijls propagandistisch ingekleurd, vaak ook om de tegenstander te misleiden. Toch waren ze waardevol." De ervaring met de ambtelijke berichtgeving van de Wereldoorlog onderscheidt zich dus niet van die van andere oorlogen.

De bijzondere bevelstructuur destijds en het ontbreken van een "legermentaliteit" brachten met zich mee, dat de officiële berichten van de marine niet naar de opperbevelhebber van het leger gingen, maar door de marinestaf direct aan Wolff werden verstrekt. Ze waren meestal niet ondertekend. Slechts in een enkel geval luidde de ondertekening "de chef van de admirale staf van de marine", soms met een naam erbij. Het eerste communiqué van de marine volgde al op 3 augustus 1914 en betrof de beschieting van de Russische oorlogshaven Libau door de Duitse kruiser Augsburg. Op 24 januari 1915 luidde de ondertekening onder de vermelding van een zwaar gevecht met Britse zeestrijdkrachten op de Noordzee (Slag bij de Doggersbank): "De plaatsvervangende chef van de admirale staf, get. Behnke". Het berichten van 10 en 16 december 1914 over de Slag bij de Falkland-Eilanden waren ondertekend met "De chef van de admirale staf van de marine, get. Pohl".

De marine kon zich bij haar berichtgeving baseren op ervaring die in vredestijd met de pers was opgedaan, zodat ook in de oorlog de communicatie betrekkelijk eenvoudig was. Per 1 okt. 1918 was het, kennelijk op grond van de in de oorlog opgedane ervaring ten slotte: "Staf van het opperbevel van de oorlog ter zee in het Grote Hoofdkwartier, afd. V, persdienst", terwijl de perscensuur en andere zaken werden behartigd bij uitvoerende dienst "I B" van dat zelfde opperbevel. De door de marine in de loop van de oorlog vrijgegeven berichten waren natuurlijk wat aantal en omvang betreft wezenlijk geringer dan die van het leger. De taal was van een zelfde nuchtere zakelijkheid.

De weinige berichten die over de strijd in de Duitse koloniën verschenen, kwamen van het rijksministerie voor Koloniën in Berlijn, dat over een eigen militair opperbevel voor de koloniale troepen beschikte, onafhankelijk van het leger. Een bijzondere merkwaardigheid bestond daarin, dat de koloniale oorlogsvoering in het Grote Hoofdkwartier voorzover de marine er niet bij betrokken was, merkwaardig genoeg slechts indirect, via de regering, ter sprake gebracht kon worden. De beperking betreffende de marine sloeg op het ingrijpen van Duitse zeestrijdkrachten in de koloniale oorlog en op het feit, dat bijv. het pachtgebied Kiautschou in China militair gezien onder gezag van de marine stond. Het opperbevel van het leger had daar dus noch in operationele zin, noch voor wat betreft de oorlogscommuniqués, invloed op. Een speciale berichtgeving van de luchtmacht was in de Wereldoorlog niet aan de orde, daar de eenheden met luchtschepen en vliegtuigen onder het leger of de marine ressorteerden en van hun inzet en activiteiten door deze instanties verslag werd gedaan.

Daarentegen bestond ook destijds reeds geregeld contact met de bondgenoten over de eigen legerberichten, de publicatie van berichten van de vijand en de weergave van de berichten van de bondgenoten. Het Duitse opperbevel zocht dat contact ook om de berichtgeving te stimuleren, d.w.z. dat de inzet van de troepen van de bondgenoten ook in de Duitse oorlogsberichten en in andere mededelingen op passende wijze vermeld werd, waar dat ter zake deed. De officiële berichten uit Wenen werden ondertekend door de "chef van de generale staf van het keizerlijk en koninklijk leger", later meestal met "de plaatsvervangend chef van de generale staf, von Hofer, generaal-majoor" (vanaf 21 december 1914 luitenant-veldmaarschalk). De concepten kwamen vermoedelijk van de latere generaal van de Duitse Wehrmacht, Glaise-Horstenau. Over Bulgaarse en Turkse legerberichten kon niets achterhaald worden.

Kenmerkend voor de gewijzigde benadering van de militaire afdelingen in het verloop van de oorlog is hetgeen waar ook door Nicolai nadrukkelijk op is gewezen, nl. dat het opperbevel de pers meermaals, vooral vanaf 1916, buiten het kader van het officiële bericht om, vertrouwelijk over de situatie aan het front heeft geïnformeerd, zoals bijvoorbeeld het prijsgeven van terrein bij Verdun en bij het terugtrekken op de Siegfriedlinie maar er mocht geen verslag van worden gedaan.

Het totaalbeeld over de militaire berichtgeving in de Wereldoorlog toont een aanzienlijke vooruitgang vergeleken met de werkwijze tijdens de veldtocht van 1870/71. Niet alleen was er een grotere bereidheid om met de pers samen te werken en werd de berichtgeving geïntensiveerd, maar vooral ook door de erkenning die in de loop van de oorlog steeds duidelijker werd, dat in een moderne oorlog geestelijke leiding, een zekere morele sturing nodig is, niet alleen voor de soldaten, maar ook voor de gehele bevolking, en dat die ook in het buitenland werkzaam kan zijn. Als ondanks deze erkenning door de Duitse legerleiding de oorlogsverslaggeving in de Wereldoorlog niet als een succesvol strijdmiddel kan worden beschouwd, dat ligt dat:

1/ aan de lange duur van de oorlog, de eindeloze loopgravenstrijd, de materiaalslagen die de soldaten murw beukten en de geestdodende dagelijkse routine, die afstompt en tot oppervlakkigheid leidde. Het was de capitulatie van de geest voor de materie, ook op dit gebied.

2/ aan de steeds zwaardere verliezen en de ongelukkige afloop van de oorlog. Als de tegenstander de overhand krijgt en het ene na het andere succes boekt, dan helpen de beste toespraken niet meer. Woorden kunnen nooit wapens vervangen. Slechts de resultaten overtuigen op de lange duur. Dat geldt in het bijzonder voor een oorlog.

3/ aan de voortdurend toenemende en alles verstikkende vijandelijke propaganda, waar men van Duitse zijde eigenlijk geen antwoord op had, of zoals Ludendorff zei: "Duitsland versaagde in de strijd tegen de psyche van de vijand."

Toch is op dit gebied iets gebeurd, waarvan de nawerkingen in de Tweede Wereldoorlog zichtbaar werden. Daarvan getuigt het bij het begin van het laatste oorlogsjaar 1918 geschreven memorandum van de kolonel bij de generale staf, von Haeften, die later hoofd van het Rijksarchief werd, en die schreef: "Woorden zijn tegenwoordig veldslagen. De juiste woorden gewonnen veldslagen. Verkeerde woorden verloren veldslagen." In elk geval komt uit dit memorandum de erkenning naar voren dat de militaire berichtgeving in de oorlog gebruikt kan worden als strijdmiddel en als middel om richting te geven. Op aandringen van von Haeften heeft Ludendorff in maart 1918 zelfs bij de rijkskanselier aangedrongen op het instellen van een soort inlichtingendienst. Ook na de oorlog benadrukte hij in het hoofdstuk "De grondslagen van de verdere oorlogsvoering en het oorlogsinstrumentarium" van zijn memoires naast de dienst- en arbeidsplicht, het oorlogsmateriaal, de beschikbaarheid van grondstoffen en de intendance nuchter en zakelijk ook de noodzaak van geestelijke leiding.

Uit: Schriften des Bundesarchivs. Der Deutsche Wehrmachtbericht 1939-1945. Ein Beitrag zur Untersuchung der geistigen Kriegführung. Boppard am Rhein, 1962. Hfdstk.: "Der 1. Weltkrieg 1914/18", p. 16-25.

Personal tools