/** * */

De ondergang van luchtschip L 19

Op 31 januari 1916 stegen rond het middaguur uit Nordholz, Tondern en Hage niet minder dan negen Duitse luchtschepen op om voor de zesde maal een bombardementsvlucht naar Engeland uit te voeren. Ze drongen meer dan 250 km op Engels grondgebied door en wierpen in de avond en de nacht meer dan 360 bommen af, hoewel de materiële schade volgens Engelse berichten, in tegenstelling tot wat de Duitse bemanningen zelf waarnamen, gering was. Om 2 uur 's middags de volgende dag, 1 februari, waren alle luchtschepen, ondanks hardnekkige mist, in hun hangars teruggekeerd, alleen L 19 (Loewe) was nog niet binnengekomen. Ook dit schip had weliswaar om 5.37 uur 's morgens nog gemeld dat alles in orde was, maar bevond zich bij het volgende signaal (over de te verwachten windrichting), zoals door een radiopeiling werd vastgesteld, om 6.41 uur 's morgens nog dicht bij de Engelse kust. Kennelijk werd de terugtocht door motorpech vertraagd. Op een volgende oproep in de loop van de ochtend werd niet gereageerd; blijkbaar was ook de radioinstallatie onklaar geraakt.

Om 2 uur 's middags kregen de 2de, 6de en 9de torpedobootflottieljes opdracht om het luchtschip, dat op dat moment tussen Borkum en List vermoed werd, te gaan zoeken. Om 16.05 uur meldde L 19 via de boordradio, dat de radioinstallatie kapot was geweest, en dat drie motoren af en toe uitvielen. De positie was bij Borkum in de buurt; de wind was gunstig, en men hoopte die nacht nog Tondern te bereiken. Een peiling tijdens dit bericht gaf aan, dat L 19 zich pas bij Ameland bevond, een waarneming, die direct aan het luchtschip werd doorgegeven. Daar echter de wind op dat moment gunstig was en L 19 het gezien de omstandigheden niet nodig achtte, een noodlanding te maken in het dichterbij gelegen Hage, werd er niet meer getwijfeld aan een geslaagde, zij het verlate terugkeer van het luchtschip. De flottieljes werden daarom teruggeroepen.

Maar anders dan verwacht werd daarna taal noch teken van L 19 vernomen. Vier luchtschepen, die de andere morgen (2 febr.) zouden gaan zoeken, konden wegens de sterke zuidenwind niet vertrekken. Ook de luchtverkenning door vliegtuigen viel uit. Er bleef derhalve niets anders over, dan de drie al genoemde torpedobootflottieljes opnieuw vanuit Borkum en List te laten uitvaren, terwijl als rugdekking de 2de verkenningsgroep en de slagkruisers Von der Tann en Derfflinger de binnenste Duitse Bocht doorkruisten. Deze laatste maatregel scheen nodig, omdat niet uit te sluiten viel, dat ook Engelse strijdkrachten naar L 19 op zoek waren. Dit vermoeden was terecht, want inderdaad liep tegelijk met de Duitse flottieljes uit Harwich het 5de lichte kruisereskader met hetzelfde doel uit, maar alle uitgezonden kruisers en torpedoboten moesten onverrichter zake terugkeren.

Spoedig daarop zou het raadsel worden opgelost. Reeds om 10 uur 's morgens vernam de Duitse vlootleiding via berichten uit Nederland, waarom L 19 na het radiobericht van de vorige dag niets meer van zich had laten horen. Kennelijk had het luchtschip in de mist getracht, zich boven land te oriënteren en was daarbij laag over de Nederlandse eilanden Texel, Vlieland, Terschelling en ten slotte Ameland gevlogen. Ofschoon men volgens Nederlandse persberichten op de eilanden de stellige indruk had, dat het luchtschip door de mist de weg was kwijtgeraakt en in nood verkeerde, was het door de Nederlandse kustwacht onmiddellijk onder schot genomen, op Ameland zelfs met kanonvuur bestookt en meermalen getroffen, tot het in noordelijke richting verdween. Sinds die tijd was het spoorloos. Terwijl het begon te sneeuwen bleef ook de zoektocht van de Duitse torpedobootflottieljes, af en toe onderbroken door de jacht op vijandelijke onderzeeboten bij Norderney en Horns-Riff, vergeefs. Het enige, wat ze vonden, was een kennelijk van L 19 afkomstige grote benzinetank op 12 zeemijl ten noorden van Borkum. Omdat deze onbeschadigd was, moest het luchtschip vlak boven zee zijn geweest toen de tank werd afgeworpen.

Tegen middernacht keerden de flottieljes en kruisers naar de Rede van Schillig terug. Hoewel de kans klein was, dat nog een spoor van L 19 zou worden gevonden, werd voor de 3de februari nog een intensieve luchtverkenning bevolen. De luchtschepen konden echter wederom wegens de weersomstandigheden niet opstijgen en van de vliegtuigen, die vanuit Borkum nogmaals naar de vermiste L 19 zochten, keerden er twee, 488, luitenant ter zee Hansen, matroos v. Wisocky, en 490, luitenant ter zee Stenzel, opperbootsman Voigt, evenmin terug en konden, hoewel de voorpostboten van de Eems en de 10de halfflottielje tot de volgende morgen naar ze zochten, niet worden gevonden.

Pas op de avond van deze dag bracht een bericht van de radiocentrale van het leger in Lille nadere informatie over L 19. Men had een Engels radiobericht opgevangen en ontcijferd, dat luidde dat een vissersboot van de "Grimsby Patrol" het wrak van een zeppelin op 110 zeemijl oostelijk van Flamborough Head had gesignaleerd. Dat kon alleen over L 19 gaan, die na de beschieting boven Ameland langer dan verwacht was blijven zweven, maar vermoedelijk na het uitvallen van al zijn motoren in de richting van Engeland was afgedreven. Over wat er verder was gebeurd geeft kapitein-luitenant Loewe zelf informatie in een aangrijpend bericht, dat eerst maanden later bij Marstrand in Noorwegen als flessenpost op het strand was aangespoeld. Dit luidde als volgt:

"Met 15 man op het platform van L 19 op 3 graden OL. Het omhulsel van de ballon drijft zonder gondel. Driemaal hadden we motorpech. Sterke tegenwind op de thuisreis vertraagde de vlucht en dreef ons in de mist naar Nederland toe, waar we met geweren beschoten werden. Drie motoren hielden er tegelijk mee op. De situatie wordt steeds moeilijker. Nu, 's middags ongeveer tegen enen, nadert ons laatste uur. Loewe."

Inmiddels was, zoals men later uit de kranten vernam, de Engelse, waarschijnlijk in dienst van de admiraliteit staande vissersboot "King Stephen" (zie ook: Duitse slagkruisers beschieten Lowestoft en Yarmouth (1916)) bij het zinkende luchtschip verschenen, maar had de hulpeloze schipbreukelingen, kennelijk uit vrees, door deze overrompeld te worden, geweigerd aan boord te nemen en aan hun lot overgelaten zodat ze de dood in de golven vonden, terwijl het schip zelf naar de haven terugkeerde. "Een schandelijke handelwijze, die in schrille tegenstelling stond tot de dikwijls zo hooggeprezen Engelse menselijkheid en ridderlijkheid. In uitingen in een groot deel van de Engelse pers, vooral ook door de bisschop van Londen gedaan, werd deze daad door de Britten goedgekeurd, een teken tot welk moreel verval het gewetenloos opzwepen van sentimenten onder de bevolking reeds had geleid," aldus de officiële Duitse geschiedschrijving. In een artikel in de "Frankfurter Zeitung" van 9 febr. 1916 ("Menschlichkeit und Verhetzung") werd de daad van de bemanning van de "King Stephen" scherp veroordeeld.

Ook de beschieting van het weerloze in nood verkerende luchtschip door de Nederlandse kustwacht was geen heldendaad en verwekte in Duitsland terecht verontwaardiging. Het standpunt van de Nederlandse regering, dat ze voor het bewaren van haar neutraliteit het recht zou hebben, het overschrijden van haar grenzen door luchtschepen van oorlogvoerende naties zonder meer met geweld te beantwoorden, wanneer deze niet te kennen gaven te willen landen, vermocht de Duitse regering niet te overtuigen. Of het vliegen over neutraal gebied door oorlogvoerenden in feite een schending van de neutraliteit inhield, was toen nog niet duidelijk. Een recht om zonder voorafgaande waarschuwing op Duitse luchtschepen te schieten bleek ook niet uit een verbod om over Nederlands grondgebied te vliegen, welk verbod trouwens al bij het begin van de oorlog door de Duitse regering zelf was uitgevaardigd om de vriendschappelijke betrekkingen tussen beide landen niet te verstoren. Uit het onderzoek van de Nederlandse regering kwam verder naar voren, dat L 19 langer dan vier uur op geringe hoogte in de buurt van de Nederlandse kust had gevlogen, zonder blijk te geven van kwade bedoelingen, ja, zelfs geprobeerd had, in contact te komen met een Nederlands oorlogsschip. Als de Nederlandse regering er op wees, dat het luchtschip niet middels signalen te kennen had gegeven te willen landen, dan moest ertegen worden aangevoerd, dat daar nog geen internationale signalen voor bestonden. Ook was een stuurloos luchtschip niet in staat om direct te landen. En een stuurloos luchtschip had minstens evenveel recht op asiel in een neutrale staat als een oorlogsschip dat voor de kust in nood verkeerde. De Duitse regering achtte zich daarom gerechtigd, haar onmiddellijk ingediende protest tegen het optreden van de Nederlandse marine ook in een nota van 25 juli 1916 nadrukkelijk staande te houden. Ze stelde tegelijkertijd voor in onderhandeling te treden om dit soort ernstige incidenten in de toekomst te voorkomen, vooral door het afspreken van noodsignalen voor luchtschepen, of door signalen vanaf de grond, dat een luchtschip zich boven neutraal terrein bevond.

Voor deze argumenten kon de Nederlandse regering de ogen niet sluiten. Luchtschepen en vliegtuigen in nood zouden voortaan niet meer zonder voorafgaande waarschuwing worden beschoten.

Literatuur

  • Marine-Archiv (Hrsg.): Der Krieg zur See 1914-1918. Der Krieg in der Nordsee. 5. Bd.: Von Januar bis Juni 1916. Berlin: Mittler, 1925.

Weblink

Personal tools