/** * */

Armeense genocide

Inhoud

Inleiding

De Armeense Genocide (Turks: Ermeni Sorunu), soms aangeduid als Armeense kwestie, is de naam voor de genocide op honderdduizenden tot miljoenen Armeniërs, die gepleegd is in het Ottomaanse Rijk ten tijde van het regime van de Jonge Turken (1915 tot 1917).

Westerse historici zijn het over het algemeen eens dat een genocide plaatsvond. Turkse en andere wetenschappers, waaronder de historicus Bernard Lewis, houden het bij een deportatie van Armeniërs, waarbij nog vaak een etnische zuivering wordt erkend. Turkije ontkent de genocide formeel en zet zich internationaal in de erkenning ervan tegen te houden. Een aantal wetenschappers stelt dat te weinig bewijs is gevonden om definitieve conclusies te trekken. De internationale discussie richt zich vooral op wat precies genocide is en wie in deze bepaalt dat dat hier daadwerkelijk het geval was.

Verloop van de gebeurtenissen

Achtergrond

Sinds 1454 maakte Armenië deel uit van het Ottomaanse Rijk. Dit rijk raakte in de loop van de achttiende en negentiende eeuw langzaam in verval. In de verschillende Russisch-Turkse oorlogen had het rijk steeds meer terrein verloren aan Rusland. Ook in het Middellandse-Zeegebied verloor het rijk gebieden en invloed. Sinds het Verdrag van Küçük Kaynarca van 1774 stonden de Armeens orthodoxe christenen in het Ottomaanse Rijk onder bescherming van Rusland.

Eind negentiende eeuw was het rijk sterk beïnvloed door Westerse ideeën over nationalisme en patriottisme. Deze ideeën ondermijnden de structuur van millets, de verschillende geloofsgemeenschappen, van het Ottomaanse rijk. Op de Balkan vochten de verschillende christelijke groeperingen voor hun onafhankelijkheid en na de onafhankelijkheid van Bulgarije (1878) werd het duidelijk dat wellicht ook voor de Armeniërs onafhankelijkheid mogelijk was. De overwegend Armeens-orthodoxe Armeniërs kwamen in opstand tegen de islamitische Ottomanen, mede door ophitsing van de kant van Rusland. Bij pogroms, die plaats vonden met oogluikende toelating of misschien zelfs aanmoediging door sultan Abdul Hamid II, werden tussen 1893 en 1895 vele tienduizenden Armeniërs vermoord. Honderdduizenden Armeniërs vluchtten in de jaren daarop naar het buitenland, waardoor de Armeense diaspora verder toenam.

In 1908 vond in Turkije een machtsovername plaats door de Jonge Turken. Deze machtsovername werd aanvankelijk door de Armeniërs gesteund. Spoedig bleek echter dat in het nieuwe Turkije, dat de Jong-Turken voor ogen stond, voor de Armeniërs geen plaats was. De Jong-Turken droomden van een groot aaneengesloten Turks rijk, dat zich uitstrekte van de Balkan tot Centraal-Azië, waarin alle Turkssprekende volkeren verenigd zouden zijn. In deze beweging, panturkisme geheten, was geen plaats voor de Armeniërs en andere niet-Turkse volkeren.

Uitbreken Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog koos het Ottomaanse Rijk de kant van de Centrale Mogendheden (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Bulgarije) waardoor het in oorlog raakte met de Entente (Rusland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk).

De Armeniërs wensten hun onafhankelijkheid te verwerven tijdens de Eerste Wereldoorlog. Armeense leiders sloten daartoe verdragen met de Britten en de Russen. Deze verdragen hielden in dat uit de oostelijke Ottomaanse provincies een onafhankelijk Armenië zou worden gevormd.

Rondom de frontlinie in Oost-Anatolië woonden veel Armeniërs en een deel van Armenië viel al geruime tijd onder Russisch bestuur. Het Russische leger had in 1915 in totaal zeven Armeense vrijwilligersbrigades en vocht er de Kaukasuscampagne uit met de Ottomanen.

Daarnaast waren verschillende Armeense guerrillaorganisaties actief. Ook kwamen verschillende groepen Armeniërs in opstand tijdens de Armeense Revolutie, onder andere in de steden Van en Zeytun (Süleymanli). In het voorjaar van 1915 stond het Ottomaanse Rijk daarnaast onder bedreiging van de Geallieerden bij Dardanellen, de Russen in het oosten van Anatolië en de Britten die oprukten naar Bagdad.

De genocide

Op 24 april 1915 werden honderden tot enkele duizenden leden van de Armeense elite zonder enkele vorm van proces vermoord in Constantinopel (Istanbul). Deze dag wordt nog altijd herdacht door de Armeniërs als het begin van de volkerenmoord.

Hierna besloot het Ottomaans regime officieel alle Armeniërs te deporteren naar zuidelijke provincie Syrië, dat toen nog deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk. De deportatie had echter in wezen geen bestemming, maar was in eerste instantie gericht op de stad Aleppo in het huidige Syrië en van daar uit naar de Der el-Zor-woestijn. Er werden waarschijnlijk 25 grote concentratiekampen opgezet onder de leiding van de rechterhand van Talaat Pasja, Sükrü Kaya, waarvan de meeste lagen op de huidige Syrische en Iraakse grenzen en waarvan sommige alleen dienden als doorvoerkampen. Het grootste deel van de kampbewaarders bestond uit Armenen. [2]

Bepaalde categorieën Armeniërs werden vrijgesteld van deportatie: katholieken, protestanten, spoorwegarbeiders en leden van de krijgsmacht werden niet gedeporteerd. Ook uit Istanbul en Izmir werden geen Armeniërs gedeporteerd. [3]

Er was niet gezorgd voor eten of drinken voor de Armeniërs tijdens de tochten van de verschillende delen van het land naar Syrië. Volgens ooggetuigen en historische documenten bezweken Armenen op de marsen naar het hedendaagse Syrië aan dorst, honger of werden doodgeranseld of -geschoten. Voorts werden Armeense vrouwen en meisjes onderweg regelmatig verkracht.

Weliswaar waren er troepen die hen moesten begeleiden, maar in het rijk, dat immers in oorlog was, was een schrijnend gebrek aan mankracht. Het begeleiden van de Armeniërs werd daarom uitgevoerd door lokale troepen op minimale sterkte. Veel Armeniërs stierven omdat zij aangevallen werden door boze plaatselijke stamleden en dorpelingen. Hun begeleiders wilden of konden hen niet beschermden en de begeleiders, vaak zelf ook onbetaald, hongerig en ongeordend, vermoordden ook Armeniërs of lieten hen eenvoudigweg aan hun lot over.

Desondanks deed de centrale Ottomaanse regering enige moeite om excessen tegen te gaan. In totaal zijn voor de krijgsraad zo'n 1400 zittingen geweest voor misdrijven tegen de gedeporteerden.

Andere Armeniërs, volgens de Britse historicus Martin Gilbert de meerderheid van de slachtoffers, werden in of nabij hun woonplaatsen vermoord.

De genocidische intentie van Talaat Pasha, de Turkse minister van binnenlandse zaken die de "deportaties" organiseerde, is onder andere duidelijk in het volgende citaat: "door de voortzetting van de deportatie van de weeskinderen naar hun bestemming gedurende extreme koude, verzekeren wij hun eeuwige rust."

Na afloop van de Eerste Wereldoorlog

In mei 1918 werd het onafhankelijke Armenië gesticht. Dit rijk vocht aan de zijde van de geallieerden. De noordoostelijke provincies van het Ottomaanse Rijk werden aan Armenië toegevoegd.

In 1920 vocht Armenië met Turkije de Turks-Armeense Oorlog uit. De Ottomanen zagen de samenwerking van de Armeniërs op Ottomaans grondgebied als verraad, te meer omdat ze eerst hadden verklaard neutraal te blijven in de oorlog. Met de overgave van de Ottomanen werden de grenzen van het nieuwe Armenië bekrachtigd in het Verdrag van Sèvres van 1920. Dit leidde tot de stichting van de Turkse republiek en de afschaffing van het sultanaat. Deze omwenteling werd in het Verdrag van Lausanne (1923) bevestigd.

Aantal slachtoffers

Het aantal slachtoffers is nooit officieel vastgesteld. De historici zijn hierover nog steeds verdeeld. Het belangrijkste verschil zit tussen Turkse geschiedkundigen enerzijds en Armeense en westerse geschiedkundigen anderzijds. De meeste Turkse historici houden het op 200.000 tot 500.000 slachtoffers (zie onder), Armeense en westerse historici spreken van 600.000 tot anderhalf miljoen slachtoffers.

De Amerikaanse historicus Bernard Lewis houdt het op 'vele honderdduizenden tot misschien wel een miljoen' slachtoffers. Volgens de Britse historicus Martin Gilbert ligt het aantal slachtoffers rond de miljoen, waarvan 600.000 vermoord in bloedbaden in Anatolië en 400.000 door geweld en hongersterfte tijdens deportaties naar woestijnen in tegenwoordig Syrië en Irak. Nog 200.000 Armenen werden verplicht zich te bekeren tot de islam. De Britse historicus Peter Mansfield schat het aantal slachtoffers op één-en-een-kwart miljoen tot anderhalf miljoen. De Nederlandse wetenschapper Erik-Jan Zürcher houdt het op 600.000 tot 800.000 slachtoffers. Ton Zwaan schat het aantal op 800.000 tot 1 miljoen. De Amerikaanse politicoloog Rudolph J. Rummel heeft berekend dat tussen 1900 en 1924 circa 1,8 miljoen Armeniërs zijn gedood.

Aandacht voor de volkerenmoord

De wereld had maar weinig aandacht voor de genocide. Dit kwam hoogstwaarschijnlijk doordat er weinig berichtgeving uit het Ottomaanse Rijk naar buiten kwam en omdat de verschrikkingen van de loopgraven aan het westelijke front de overhand hadden in de kranten. Uitzonderingen op de geringe aandacht die toentertijd aan de genocide werd besteed waren de beschrijvingen van de Amerikaanse krant New York Times en de toenmalige Amerikaanse ambassadeur in Istanbul, Henry Morgenthau Sr. Talaat Pasha reageerde op de protesten van de Amerikaanse ambassadeur met de woorden: Je bent een Jood, deze mensen zijn christenen... Waarom kan je ons niet laten doen met deze christenen wat wij wensen? Bronvermelding gewenst

Veel later zou Adolf Hitler verklaren: Het doel van de oorlog is niet de linies te herdefiniëren, maar de vijand fysiek te vernietigen. Door deze methode zullen wij de vitale levensruimte verkrijgen die wij nodig hebben. Wie spreekt vandaag nog over het bloedbad onder de Armenen?

Andere tragedies in het Ottomaanse Rijk tijdens de Eerste Wereldoorlog

Veel minder bekend dan de Armeense genocide is dat nog andere tragedies plaatsvonden. Zo werden vermoedelijk zo'n 275.000 Assyriërs vermoord in de zogenoemde Assyrische genocide. In wat nu Syrië is, stierven eenderde tot een half miljoen Arabieren aan de hongersnood. Vermoedelijk stierven zo'n 30.000 Koerden. Daarnaast stierven tienduizenden Turken in door Rusland gecontroleerd gebied.

Internationale erkenning en ontkenning

De afgelopen decennia heeft er talrijk onafhankelijk wetenschappelijk historisch onderzoek plaatsgevonden naar de gebeurtenissen in het Ottomaanse Rijk. Desondanks is de discussie nog steeds gaande.

De discussie richt zich vooral op het feit of de verschillende ministers en overheidsdienaren vooraf van plan waren om genocide te plegen. Door verschillende oorzaken is de precieze gang van zaken volgens sommige wetenschappers niet goed te herconstrueren. Daarnaast zijn ook vervalste documenten geproduceerd, zoals de 'Andonian papers'.

Invloedrijke wetenschappers in Nederland zijn momenteel onder meer Ton Zwaan, Erik-Jan Zürcher en Jos Weitenberg.

Erkenning

Zoals eerder is aangegeven, worden de massale moordpartijen van begin vorige eeuw door westerse historici over het algemeen als genocide erkend. Ton Zwaan noemt de volkerenmoord op de Armeniërs de "vergeten genocide".

Verschillende landen en internationale organisaties erkennen de genocide: Argentinië, Armenië, België, Canada, Cyprus, Europese Unie, Frankrijk, Griekenland, Italië, Libanon, Nederland, Polen, Raad van Europa, Rusland, Uruguay, Vaticaanstad, Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland. Hoewel president Ronald Reagan expliciet refereerde aan de Armeense genocide, is er in de VS geen resolutie aangenomen om de genocide te erkennen.

Het Belgische parlement erkende de Armeense genocide in 1997.

De Tweede Kamer nam op 21 december 2004 met algemene stemmen een motie van de ChristenUnie aan waarin het de genocide erkent en de regering verzoekt de kwestie "aan de orde te stellen" bij de Turkse regering.

Op 7 maart 2000 ondertekenden 126 academici en voorzitters van verschillende holocauststudiecentra een politieke verklaring in Philadelphia, waarin zij vastlegden dat de genocide heeft plaatsgevonden. Hun aanbeveling aan Turkije is om in het reine te komen met dit feit en hun aanbeveling aan de rest van de wereld is om deze genocide te erkennen. Ondertekenaars zijn onder andere professoren Yeshuda Bauer, Ward Churchill, Jack Needle en Nobelprijswinnaar Elie Wiesel.

Ontkenning

De Turkse regering staat op het standpunt dat er geen sprake was van genocide, maar dat de doden het slachtoffer zijn geworden van hongersnoden en andere ontberingen. Zij spreekt dan ook liever van de Armeense Kwestie. Volgens de Turkse regering zouden er 300.000 tot 500.000 slachtoffers zijn. Turkije oefent – of oefende tot voor kort – ook druk uit op andere landen om het bestaan van de genocide te ontkennen, of in elk geval niet officieel te bevestigen.

Er zijn academici, zoals de Amerikanen Bernard Lewis en Justin McCarthy, die van mening zijn dat de genocide niet heeft plaatsgevonden. Zij spreken liever van deportaties. Hun belangrijkste argument is dat er weinig bewijzen zijn gevonden voor opdrachten van de regering tot genocide. Wel zijn diverse legerofficieren voor de (militaire) rechtbank gebracht en veroordeeld voor hun foutief gedrag tijdens de deportaties.

Zowel de Turken als deze wetenschappers halen veelvuldig de zogenaamde 'Andonian Papers' aan, een bekende vervalsing ten gunste van het Armeense standpunt.

Er werden wel pogingen gedaan tot verzoening. Op aansporen van de Verenigde Staten werd een verzoeningscommissie opgericht in 2001 met Turkse en Armeense leden. Deze publiceerden hun rapport, waarop de Turkse leden collectief ontslag namen uit de commissie.

In 2005 hield de Turkse premier Recep Tayyip Erdoğan een gezamenlijke persconferentie met oppositieleider Deniz Baykal waarin zij Armeense geschiedkundigen uitnodigden collega's uit Turkije te ontmoeten om uit te vinden wat er gebeurde. Ook riepen ze Armenië op de archieven te openen. De Armeense minister van buitenlandse zaken reageerde dat bekend is wat gebeurde en dat de Armeense archieven altijd open zijn geweest.

In het weekend van 24-25 september vond er daadwerkelijk een conferentie plaats in Istanbul, nadat een rechtbank het eerder verboden had.

Onduidelijk

Enkele andere wetenschappers, zoals de Nederlanderse wetenschapper Erik-Jan Zürcher en de Amerikaanse politicoloog Guenter Lewy [17], stellen dat te weinig bewijs is gevonden om definitief te kunnen concluderen dat genocide heeft plaatsgevonden. Zürcher is van mening dat de leden van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang de uitroeiing van de Armeniërs op Turks gebied nastreefde, maar weet niet zeker of dit ook tot officiële politiek van de staat werd verheven. Zijn twijfel komt deels door de weigering van de Turkse overheid om diverse archieven open te stellen voor onderzoekers en deels doordat archieven verdwenen of vernietigd zijn. [18]

Aanslagen door Armeniërs

Twee Armeense organisaties, de ASALA en de JCAG, hebben in de jaren '70 en jaren '80 wereldwijd aanslagen gepleegd op Turken en Turkse instanties, met als doel erkenning van de genocide. In Nederland werd daarbij de diplomatenzoon Ahmet Benler in 1979 in Den Haag doodgeschoten.

Externe link

[Overgenomen van Wikipedia]

[Website Museum]

Afkomstig van WO1Wiki NL, de Vrije Encyclopedie. "http://forumeerstewereldoorlog.nl/wiki/index.php/Armeense_genocide"
Personal tools