Forum Eerste Wereldoorlog Forum Index Forum Eerste Wereldoorlog
Hťt WO1-forum voor Nederland en Vlaanderen
 
 FAQFAQ   ZoekenZoeken   GebruikerslijstGebruikerslijst   WikiWiki   RegistreerRegistreer 
 ProfielProfiel   Log in om je privť berichten te bekijkenLog in om je privť berichten te bekijken   InloggenInloggen   Actieve TopicsActieve Topics 

L.van Bergen-Militaire geneeskunde en de Eerste Wereldoorlog

 
Plaats nieuw bericht   Plaats Reactie    Forum Eerste Wereldoorlog Forum Index -> Medische verzorging Actieve Topics
Vorige onderwerp :: Volgende onderwerp  
Auteur Bericht
Yvonne
Admin


Geregistreerd op: 2-2-2005
Berichten: 45652

BerichtGeplaatst: 12 Okt 2006 21:31    Onderwerp: L.van Bergen-Militaire geneeskunde en de Eerste Wereldoorlog Reageer met quote

Met gebrek aan riemen in een gammel bootje.
Militaire geneeskunde en de Eerste Wereldoorlog



Tijdens de Eerste Wereldoorlog sneuvelden, stierven en verdronken 9 miljoen soldaten. In de Tweede Wereldoorlog waren dit er 20 miljoen. Alles natuurlijk om en nabij. Uitgaand van de normale oorlogsratio dood versus gewond van ťťn staat tot vier, wijst dit er op dat de diverse militair geneeskundige diensten, al dan niet door Rode Kruis en andere vrijwilligerskorpsen bijgestaan, zo'n 120.000.000 gewonden hebben moeten oplappen in een tijdsbestek van 10 jaar, oftewel 12.000.000 per jaar, oftewel meer dan 30.000 per dag (zieken niet meegerekend). Dit wijst er al op dat, hoe groot de diverse MGD's ook waren, en hoe goed georganiseerd, ze nooit meer dan een druppel op een gloeiende plaat zijn geweest. Al was het sterftecijfer der gewonden procentueel gedaald ten opzichte van de 19e eeuwse oorlogen, de aantallen waren zo schrikbarend hoog, dat de artsen en verpleegkundigen in feite machteloos stonden, of, zoals verpleegster Ellen La Motte het zei: `De wetenschap van het genezen stond sprakeloos tegenover de wetenschap van het vernietigen'. (Ellen N. La Motte, The Backwash of War. The human wreckage of the battlefield as witnessed by an American hospital nurse, Londen 1916, 55)

Echter: de MGD's waren niet groot en goed georganiseerd, zeker niet aan het begin van beide oorlogen. Psychiatrische diensten blonken zelfs, zowel in 1914 als 1939, uit in afwezigheid. Bovendien waren de voorzorgsmaatregelen veelal genomen op grond van, naar later bleek, foutieve veronderstellingen over aard, omvang en duur van de strijd. Ook werd tijdens de oorlog, voorafgaand aan een grote slag, telkenmale een schatting gemaakt van het aantal gewonden waar de medische zorg op diende te rekenen en waar die medische zorg ook op werd toegesneden. Die schattingen waren zelden accuraat, oftewel: altijd te laag en vaak veel te laag. Zo was bij de slag om de Somme, die zoals bekend de Britten alleen al de eerste dag 60.000 man kostte - 20.000 gesneuveld en 40.000 gewond - met `slechts' tienduizend doden en gewonden rekening gehouden. (Martin Marix Evans, The Battles of the Somme, Londen 1996, 14-5, 33)

Militaire geneeskunde in deze oorlogen was dan ook eerder geneeskunst-en-vliegwerk te noemen dan geneeskundige verzorging. Het was in een gammel bootje roeien met vrijwel ontbrekende riemen tegen een stroom in die zelfs te sterk zou zijn voor een metalen motorboot. Militaire geneeskunde betekende gewonden uit de drek halen, met acht mensen urenlang met gevaar voor eigen leven door modder ploegen om ťťn gewonde naar een misschien ťťn kilometer verderop gelegen verbandplaats te krijgen, in de hoop dat hij niet ondertussen zou zijn overleden. Het betekende tegen die brancardiers te moeten zeggen dat zij hun gewonde buiten de hulppost in de modder moesten leggen want binnen was geen plek meer, of dat zij zich de moeite hadden kunnen besparen omdat aan zo'n zwaar gewonde geen moeite meer werd verspild. Het betekende bloed van anderen, zweet en tranen van artsen en verpleegkundigen, amputeren zonder verdoving, opereren in te kleine ruimtes zonder verlichting, waarin van welke vorm van sepsis, antisepsis of hygiŽne geen sprake kon zijn, met het hoofd in bedorven lucht en de voeten in glibberige, natte aarde. Het betekende het achterlaten van immobiele gewonden telkens als het leger op- dan wel terugtrok. Het betekende werken met schaars, kwalitatief weinig hoogstaand materiaal, waarmee wonden gedicht en ziektes bestreden moesten worden die zo specifiek oorlogsgerelateerd waren dat de meeste artsen er geen of bijna geen weet van hadden. Het betekende inademen van giftige gassen die uit de kleren en lichamen van aangedane slachtoffers tot de arts en verpleger opstegen, waarop die zelf onderuit zakten. Het betekende tijdsdruk, tijdsdruk om die gewonden te redden die misschien nog te redden waren, en tijdsdruk om aan de niet aflatende vraag van de niet-medische militaire collegae om opgelapt kanonnenvoer, te kunnen blijven voldoen. Het betekende bovenal afstomping want anders kon het werk niet meer worden voortgezet.

Natuurlijk gaat dit weinig florissante, allesbehalve glorieuze beeld meer op voor de eerste hulpposten dichtbij het front, dan voor de verder weg gelegen hospitalen, laat staan voor de gespecialiseerde hospitalen terug in het moederland, maar de crux van de zaak - militaire geneeskunde is het verlenen van zorg door veel te weinigen aan veel te velen, waarbij ziektes en verwondingen bestreden moeten worden, waarvan de meeste artsen en verpleegkundigen het bestaan niet eens wisten - blijft ook in die verder weg gelegen hospitalen recht oveeind.
Militaire geneeskunde in oorlogen met een omvang van die van 1914-'18 en 1939-'45, betekent dan ook allereerst experimenteren. Niet voor niets schreef de Duitse arts en filosoof Theodor Lessing, werkzaam in een oorlogshospitaal in '14-'18, dat oorlog, ook voor de medici, niets anders was dan ťťn groot experiment met mensen. Mensenmateriaal was er in overvloed. De oorlog gaf de mogelijkheid om voor proeven waarvoor normaliter konijnen of muizen werden gebruikt, mensen te nemen. Niet over het onheil dat de oorlog aanrichtte was sprake, maar over de schitterende experimenten die nu konden worden uitgevoerd. Bij de voor het desbetreffende individu soms heilzame, maar veel vaker desastreuze gevolgen werd niet al te veel stilgestaan. De overvloed aan doden tijdens een fikse oorlog maakt ongevoelig voor eentje meer of minder. Niet voor niets ook schreef de Engelse historicus Roger Cooter dat soldaten `een makkelijke prooi vormden'. Lessing voegde er bovendien nog aan toe dat zelfs de soldaten die baat hadden gehad bij de medische ingrepen alleen maar opgelapt waren om alsnog vermoord te kunnen worden. (Roger Cooter, `War and Modern Medicine', W. Bynum, R. Porter (eds.), Companion encyclopedia of the history of medicine, Londen 1993, 1536-1572,1553; Theodor Lessing, `Das Lazarett', idem, Ich warf eine Flaschenpost im Eismeer der Geschichte, Darmstadt 1986, 354-386, passim)

Bij die experimenten moet ook niet alleen worden gedacht aan experimenten om het leven van de patiŽnt te redden. Er werd ook geŽxperimenteerd op gezonde soldaten, op krijgsgevangenen, en - in de Tweede Wereldoorlog - op `Lebensunwertes Leben' en op `Untermenschen'. De bedoeling hiervan was bijvoorbeeld om na te kunnen gaan wat het effect van bepaalde inentingen zou kunnen zijn, of welk effect vliegen had op de mens, of langdurig verblijf in ijskoud water. Veelal word vergeten dat hier¨an ook militair genees¨kundigen hebben meegewerkt, en dat die experimenten niet alleen de medische nieuwsgierigheid dienden te bevredigen, maar een militair doel hadden.(zie bv. Ernst Klee, Auschwitz, die NS-Medizin und ihre Opfer, Frankfurt a.M. 1997, met name hfdst. VI)

Dit is ook volkomen vanzelfsprekend aangezien de eerste taak van de militair geneeskundige, zeker in een grote oorlog, immers niet medisch, maar militair van aard is: het hooghouden van moraal en gevechtskracht van het eigen leger. Zoals bij militaire operaties iedere humanitaire overweging dient te wijken voor het einddoel geheten overwinning, zo gaat dat ook op voor de militaire geneeskunde. Het militaire overheerst het medische, het medische staat in dienst van het militaire.
De vraag is natuurlijk of de verontwaardiging die velen hierbij voelen opkomen, wel terecht is. De meeste artsen die in die periode zieke of gewonde soldaten behandelden, zagen immers zelf het militair-medische werk niet als contradictoir. Heel duidelijk is dit als we de militaire psychiatrie onder de loep nemen. Zeker, de psychiaters, psychologen en neurologen zorgden ervoor dat soldaten die van de oorlogswaanzin waanzinnig waren geworden, de bron van hun gekte weer moesten opzoeken. Maar die redenering gaat natuurlijk alleen op als ook de zenuwartsen zelf de oorlog als de bron van shell shock, combat exhaustion, la kloppe of hysterie de guerre aanzagen. Dat nu was niet het geval. Wordt heden ten dage een verschil gezien tussen helen en disciplineren, tussen genezen en aanpassen aan de algemeen geldende normen en waarden van de maatschappij, voor de meeste artsen, en zeker voor militaire artsen, waren in de eerste helft van deze eeuw helen en disciplineren vier handen op ťťn buik. Helen betekende disciplineren en disciplineren betekende helen. Doorgedraaide soldaten waren zwak geworden, feminien. Zij hadden de bij hun mannelijkheid horende waarden en normen verzaakt en helen betekende dus dat zij die waarden en normen weer aanvaardden, dat zij weer masculien werden. En het toppunt van masculiniteit was het soldatendom. Door de soldaten zover te krijgen dat zij hun wapens weer opnamen, volbracht de officier van gezondheid met andere woorden niet alleen zijn militaire taak, maar ook zijn medische.
Nog duidelijker komt die relatie tussen maatschappelijke normen en waarden enerzijds en medisch handelen anderzijds tot uiting als de Britse militaire psychiatrie wordt vergeleken met de Duitse. De Kaufmannkuur in de Eerste Wereldoorlog en de Pantsen-kuur in de Tweede stonden en staan te boek als het bewijs van de onmenselijkheid van de Duitse militaire psychiatrie. Dit overigens eveneens niet geheel terecht. Niet dat die kuren in hedendaagse ogen niet onmenselijk waren, maar ten eerste deden de methoden van geallieerde collegae er niet voor onder en ten tweede waren de methoden niet door militaire psychiaters uitgevonden en waren soldaten ook niet de eersten op wie die methoden waren uitgeprobeerd. Wat opvalt echter is dat die geallieerde collegae over het algemeen pas tevreden waren als de soldaat inderdaad naar het front terug ging, terwijl bijvoorbeeld Kaufman er eerder naar streefde het doorgedraaide Frontschwein achter de lopende band van de militaire industrie te krijgen. Dat dit weinig met grotere humaniteit te maken heeft moge duidelijk zijn, maar waarmee dan wel? Het blijkt dat in Duitsland aan het eind van de vorige eeuw hysterie niet alleen als een vrouwenzaak werd gezien. Ook arbeiders die de druk van de moderne industriŽle productiewijze niet meer aankonden, leden eraan. Dus werd de doorgedraaide soldaat niet, of niet alleen, in termen van mannelijkheid en vrouwelijkheid gediagnostiseerd, maar kwam ook sociale klasse naar boven. De soldaat met Kriegsneurose was met andere woorden een arbeidsschuw arbeider, die ertoe gebracht moest worden weer aan het productieproces te gaan deelnemen. Hiermee sloegen de Duitse militaire psychiaters ook meerdere vliegen in ťťn klap: zij hoefden niet telkens soldaten te behandelen die na enkele dagen aan het front weer bij hen werden afgeleverd; de schaarste op de arbeidsmarkt werd enigszins opgeheven; de voormalige patiŽnten leverden toch hun deel aan de oorlogsinspanning, en de staat werd van het uitkeren van vele oorlogspensioenen gevrijwaard.

Dit wil niet zeggen dat de Britten, om die als tegenvoorbeeld maar even aan te houden, niet naar sociale komaf keken. Zeker wel, alleen werd de diagnose hysterie - die voortkwam uit feminisering - gereserveerd voor de soldaten. De officieren, afkomstig uit de hogere klassen, werden grotendeels neurasthenisch verklaard, ook als de symptomen op hysterie duidden. Die officieren immers hadden een goede opleiding genoten, een opleiding waarin het ontkennen van angst een voorname rol had gespeeld. Het kon dus niet zo zijn dat zij hun waarden en normen hadden verloren, het kon dus niet zo zijn dat zij `laf' geworden waren. Hun problemen hadden ook niets met karakterzwakte of erfelijke waanzinnigheid te maken. Zij waren echt slachtoffer van de oorlogsomstandigheden en hun grote verantwoordelijkheid. Voor hen was er ook geen elektriseermachine, maar praatsessie, voor hen was er ook geen welhaast zekere terugkeer naar het front. De meeste shell shock-officieren bleven na behandeling in Good old Albion. Ook dit voorbeeld bewijst de innige relatie tussen medisch handelen, medisch denken en de maatschappelijk geaccepteerde waarden en normen van een bepaalde tijd en plaats. Kennis hiervan zal aan de verontwaar¨diging vooraf moeten gaan.

Toch is die verontwaardiging niet geheel onterecht. Er zit immers een `maar' in deze redenering. Het is een redenering die geheel en al uitgaat van de arts en de patiŽnt buiten beschouwing laat. Die patiŽnten nu waren niet geÔnteresseerd in de medische overpeinzingen van de arts. Voor hen stond vast dat de oorzaak van de ziekte, verwonding en gekte de oorlog zelf was. De oorlog was de veroorzaker van al het leed en niet `de vijand', niet `de soldaat aan de andere kant van het front die hetzelfde moet ondergaan als hij'. Niet voor niets verzuchtte Edmund Blunden, naar aanleiding van 1 juli 1916, die zwarte eerste dag van de slag om de Somme, dat geen der beide zijden nog kon winnen, aangezien de oorlog zelf al had gewonnen en zou blijven winnen. (Paul Fussell, The Bloody Game. An antho¨lo¨gy of modern war, Londen 1991, 34)
Dit nu had zijn effect op de relatie die de soldaat met de MGD-arts en de verpleegkundige onderhield.

Het hospitaal is in normale vredesdagen een noodzakelijk kwaad waarvan de aldaar werkzame lieden proberen je er zo snel mogelijk weer uit te krijgen, richting huis, gezond van lijf en leden. In oorlogstijd was het hospitaal een begerenswaardige plek om tot rust te komen, maar waarvan de er werkzame lieden wederom probeerden je zo snel mogelijk weer kwijt te raken, maar dan terug richting front, en lang niet altijd gezond van lijf en leden. De gezondverklaringsquota moesten immers worden gehaald. Het hospitaal was met andere woorden een ambivalente plek geworden. Enerzijds moesten de artsen wel geheel en al worden ver¨trouwd, anderzijds stond de afkorting RAMC bij soldaten niet voor niets voor Rob All My Comrades, en niet voor Royal Army Medical Corps. Ook de wijze waarop tegen verpleegsters werd aangekeken getuigt hiervan. Enerzijds waren zij de Roses of No Man's Land, en anderzijds waren het hoeren die liever de artsen en militaire hoogwaardigheidsbekleders behaagden dan de patiŽnt bijstonden. Kaarten tonen hooggesloten engeltjes of ongesloten sletten.

Ofschoon begeerd als plek weg van het front, weg van de lelijkheid, de dood, het verderf, het ongedierte, boezemde het hospitaal ook velen angst in. Militaire geneeskunde was dus niet alleen een druppel op een gloeiende plaat, maar voor veel soldaten ook de druppel die de emmer van de onmenselijkheid van oorlog deed overlopen. De in het oorlogshospitaal rondlopende artsen huldigden vaak nog nationalistische en militaristische ideeŽn die de soldaat zelf, als hij ze al had gehad, aan het front snel was kwijtgeraakt. En die artsen wensten hem terug naar een plek waarvan hij zelf juist blij was weg te zijn. Niet voor niets werd de Blighty, de Heimatschuss, de bonne blessure, vaak met vreugde begroet, zowel door de gewonde zelf als door zijn kameraden die hem alle goeds toewensten. Vooruitgang in de geneeskunde, gedefiniŽerd als het eerder en beter helen van wonden en ziektes, was in de ogen van menig soldaat dan ook eerder een achteruitgang. (Cooter, a.w., 1553-1556)

Tekenend voor dit alles is het relaas van de Amerikaanse WOI-veteraan Robert Hoffman. In zijn I remember the last war, dat verscheen in 1940 en was bedoeld om Amerika uit de Tweede Wereldoorlog te houden, komt hij tot een conclusie over de militaire geneeskunde die tien jaar eerder al in Remarque's Im Westen Nichts Neues gelezen had kunnen worden en die ook met de indruk van Lessing overeenkomt. Evenals de hoofdpersonen uit Remarque's roman, was ook Hoffman de nodige goede artsen tegen het lijf gelopen, maar `er waren anderen die in de oorlog de gelegenheid zagen experimenten uit te proberen, eigen theorieŽn te staven, op zwaargewonde mannen - mannen die niet de kracht hadden te protesteren.'

Er is goed werk verricht met plastische chirurgie, maar de meesten van hen zagen er nadat de operatie was beŽindigd niet beter uit dan het monster van Frankenstein. Er waren artsen die dachten platvoeten te kunnen genezen. Ze probeerden hun experimenten uit op iedereen die zich eraan wilde onderwerpen, en ze deden hen zeker geen goeds, maar hielpen menigeen van de regen in de drup. Constant werden botten fout gezet en moesten ze weer opnieuw gebroken worden.

Hoffman zelf was gewond geraakt aan zijn wang en de wond was gaan ontsteken. Hij vreesde eerst het ergste, maar na een tijd bleek de wond toch minder ernstig dan eerst gedacht. `Gelukkig maar', dacht Hoffman: `Als ik zie wat de arts doet met al die anderen.' (Fussell, Bloody game, 169-170, 173) Hij zal met Remarque hebben ingestemd dat niet de persoon telt, maar het systeem, en in de ogen van Remarque en menig ander soldaat, deugde het systeem van de militaire geneeskunde niet. Zoals je bij de slavernij een `goede' baas kon krijgen, vroeg of laat trof je artsen en verpleegkundigen die niet in de patiŽnt maar alleen in de Kriegsverwendungsfšhigkeit geÔnteresseerd waren. (Erich Maria Remarque, Im Westen nichts neues, Frankfurt a.M. 1983, 195-6) Ook zal Hoffman met Remarque hebben ingestemd toen die schreef dat pas het hospitaal de ware aard van de oorlog toont. Eťn hospitaal lag al boordevol met gewonden, geraakt door kogels, granaatkartetsen of -splinters op alle denkbare plaatsen van het lichaam. Mensen zonder benen of armen, zonder geslachtsdelen, zonder kaak of neus. Mensen waarvan de hersenen deels waren verdwenen en toch nog leefden. Mensen waarvan de longen en ogen door gas waren verwoest. En van zo'n hospitaal waren er duizenden aan weerszijden van het front. (Remarque, Im Westen, 183-4)

Maar, zo zeggen velen, dit zal allemaal wel zo zijn, maar zonder oorlog zou de medische kennis niet zo'n hoge vlucht hebben genomen en veel artsen die onervaren de oorlog ingingen kwamen er hooggekwalificeerd weer uit mede vanwege de door de tijdsdruk opgelegde noodzaak tot experimenteren. Civilisten hebben hier in tijden van vrede de vruchten van kunnen plukken. Oorlog, militaire geneeskunde, is goed geweest voor de ontwikkeling van de medische wetenschap. Velen denken dat dit het geval is, maar is het ook waar? Is het misschien zelfs zo dat de relatie moet worden omgedraaid? Was niet oorlog niet zozeer goed voor de geneeskunde, als wel geneeskunde goed voor de oorlog? De geneeskundige zorg werd immers verleend om het moreel en de slagkracht van de legers te vergroten. Het medische stond immers in dienst van het militaire - en de meerderheid der artsen wenste dit ook zo. Hun inzet bracht de opperbevelhebber de Duitse troepen aan het einde van de Eerste Wereldoorlog, Von Hindenburg, er zelfs toe te zeggen dat zonder de fantas¨tische medische hulp de Wehrmacht allang voor 11 november 1918 de strijd had moeten opgeven. In ieder geval de Duitse historica Johanna Bleker geeft hem gelijk. Volgens haar kan niet meer worden ontkend dat de geneeskundige hulp diverse malen heeft gezorgd voor een verlenging van de strijd. (Johanna Bleker, Medizin und Krieg, Berlijn 1988, p. 17; P. Riedesser, A. Verderber, AufrŁstung der Seelen, Freiburg 1985, 19, 128)
Dit heeft tot gevolg dat de militaire geneeskunde niet alleen levens heeft gered, maar door het verlengende effect ook heeft geholpen nieuwe doden en gewonden te creren.
Dit neemt niet weg dat ook de omgekeerde relatie - oorlog was goed voor de geneeskunde - waar kan zijn. Nadere bestudering van de aan oorlogstijd toegeschreven ontdekkingen rechtvaardigen echter op zijn minst een nuancering van deze relatie, een nuancering die al een enkele maal door militair geneeskundigen zelf is gegeven. Zo schreef Fielding Garrison, schrijver van Notes on the history of military medicine (1922), dat de medische innovaties tijdens WOI weliswaar `slim en respectabel', maar `geenszins briljant' waren. (Cooter, a.w., 1548. Voor een uitgebreider kritiek zie: Leo van Bergen, `Vraagtekens bij het nut van oorlog voor de geneeskunde', Militaire spectator, jrg. 166, 11 (nov. 1997), 533-540)

Veel van de aan oorlog toegeschreven ontdekkingen blijken al voor die dagen te hebben bestaan. De industriŽle vervaardiging van penicilline was weliswaar mede een gevolg van WOII, maar de uitvinding op zich had al in 1929 plaatsgehad. De algemene toepassing zou dus zonder de oorlog hooguit wat later hebben plaatsgehad, maar zou zeker niet zijn uitgebleven. Het aantal levens dat met die snellere invoering is gered, weegt vanzelfsprekend niet op tegen de prijs die daarvoor is betaald.
Hierbij komt dat de massaliteit van toepassingen van middelen en methoden in oorlogen als WOI en II, het paradoxale gevolg heeft dat de werkzaamheid maar moeilijk nagegaan kan worden. De randvoorwaarden zijn te ongunstig, observatiemogelijkheden en kennisuitwisseling - zelfs op nationaal, laat staan op internationaal niveau - beperkt. Oorlogsgeneeskunde is korte-termijn geneeskunde. Dit maakt ook dat de enorme lijsten met data, die iedere oorlog weer oplevert, weliswaar historisch uiterst interessant, maar medisch-wetenschappelijk van twijfelachtig gehalte zijn. (Bleker, a.w., 20)

Bovendien kan men zich afvragen waarvoor de kennis opgedaan in een oorlog waarde heeft. Ten eerste waren, door de verspreiding van ziektes door de legers en het primaat aan de behandeling van militairen en de absolute voorrang aan onderzoek naar oorlogsziektes en oorlogsverwondingen, beide oorlogen funest voor de civiele gezondheidszorg tijdens de oorlogen zelf. Bovendien heeft de oorlogsgeneeskunde ook veel minder waarde gehad voor de civiele geneeskunde in tijd van vrede dan veelal wordt verondersteld. Daarvoor verschilt zij met de oorlogsgeneeskunde simpelweg te zeer van karakter. De problemen die in oorlog om een oplossing schreeuwen komen vaak in vredestijd helemaal niet voor. Neem het in de smerige loopgraven van WOI veelvuldig voorkomende gasgangreen. Pas aan het eind van de oorlog was deze vorm van infectie min of meer beteugeld, maar de arts die dacht met zijn kennis over gasgangreen een glanzende carriŤre tegemoet te gaan in een civiel hospitaal, kwam bedrogen uit. Het werd een nagenoeg onbekend verschijnsel, zoals het ook al vůůr 1914 een nagenoeg onbekend verschijnsel was geweest in een civiel hospitaal.

Voor een volgende oorlog is de waarde van de in een voorgaande oorlog opgedane kennis eveneens gering, en niet alleen door de vooruitgang in kennis in de tussenliggende vredestijd. Elke oorlog verschilt van karakter en daarmee verschillen ook de medische problemen van elke oorlog van karakter. Neem wederom het reeds genoemde gasgangreen. In de bewegingsoorlog van 1939-'45 kwam het nauwelijks voor.
Blijft de vraag of een fikse oorlog inderdaad de leermeester der chirurgie is, en ja, het moet gezegd: het enorme aantal gewonden stimuleert inderdaad de fantasie, alleen niet in de richting van een bťtere genezing, maar in de richting van een snŤllere genezing. Veel gewonde soldaten hebben in de jaren '14-'18 en '39-'45 een been moeten missen dat bij minder tijdsdruk niet geamputeerd had hoeven te worden. De tijdsdruk die oorlog oplegt, is in vre¨destijd veel minder sterk aanwezig.
De conclusie zal moeten zijn dat met zijn kritische opmerkingen Albert Deutsch, schrijver van een uit 1944 stammend, maar nog steeds lezenswaardig stuk over de psychische problematiek ten tijde van de Amerikaanse Burgeroorlog, blijkbaar het gelijk aan zijn zijde had. In 1946 schreef hij, tegen de overweldigende stroom van enthousiasme over de in de voorgaande oorlog opgedane medische kennis in: `Ondanks alle ophef, zie ik geen enkele medische ontdekking van enige waarde die uit deze of enig andere oorlog is voortgekomen.' (Cooter, a.w., 1548) Daarbij is het zeer de vraag - en persoonlijk beantwoord ik die vraag overwegend negatief - of veel van de oorlogstijd toegepaste methodes, die nu niet bepaald uitblonken door fijnzinnigheid, in vredestijd wel ethisch toelaatbaar zouden worden geacht, zelfs als ze hun medisch nut zouden hebben bewezen. Bovendien zijn veel van de in oorlogstijd uitgevoerde experimenten in een andere context simpelweg onuitvoerbaar.
Tot slot. Dit veelzijdige beeld van de militaire geneeskunde, vergeven van ambivalenties en discrepanties, zal er niet toe kunnen en mogen leiden dat de militaire geneeskunde verdwijnt. Immers: in oorlogen vallen gewonden en het is simpelweg niet des mensen, het is simpelweg niet menselijk, om gewonden in het hier en nu niet te verzorgen. Ook niet als blijkt dat dat verplegen en de redenen achter het waarom van het verplegen, leiden tot een mogelijk groter aantal doden en gewonden ergens in een onzichtbare toekomst. De militair geneeskundige dienst zal dus altijd blijven bestaan zolang er oorlog wordt gevoerd. En zeker als er oorlogen worden gevoerd die een omvang hebben als die twee oorlogen die in de eerste helft van de twintigste eeuw zijn uitgevochten, hetgeen God, nee: hetgeen de mens verhoede. Verdwijnen zal en kan de militaire geneeskunde pas als er geen legers meer zijn en er niet meer gevochten wordt. NaÔef? Wellicht, maar dromen mag.

Leo van Bergen
_________________
Met hart en ziel
De enige echte

https://twitter.com/ForumWO1
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privť bericht Verstuur mail Bekijk de homepage
Berichten van afgelopen:   
Plaats nieuw bericht   Plaats Reactie    Forum Eerste Wereldoorlog Forum Index -> Medische verzorging Tijden zijn in GMT + 1 uur
Pagina 1 van 1

 
Ga naar:  
Je mag geen nieuwe onderwerpen plaatsen
Je mag geen reacties plaatsen
Je mag je berichten niet bewerken
Je mag je berichten niet verwijderen
Ja mag niet stemmen in polls


Powered by phpBB © 2001, 2002 phpBB Group