Forum Eerste Wereldoorlog Forum Index Forum Eerste Wereldoorlog
Hét WO1-forum voor Nederland en Vlaanderen
 
 FAQFAQ   ZoekenZoeken   GebruikerslijstGebruikerslijst   WikiWiki   RegistreerRegistreer 
 ProfielProfiel   Log in om je privé berichten te bekijkenLog in om je privé berichten te bekijken   InloggenInloggen   Actieve TopicsActieve Topics 

Het Kerstverhaal:

 
Plaats nieuw bericht   Plaats Reactie    Forum Eerste Wereldoorlog Forum Index -> Mystiek en religie Actieve Topics
Vorige onderwerp :: Volgende onderwerp  
Auteur Bericht
Yvonne
Admin


Geregistreerd op: 2-2-2005
Berichten: 45582

BerichtGeplaatst: 25 Dec 2005 9:32    Onderwerp: Het Kerstverhaal: Reageer met quote

In de voormalige danszaal van de oude Fransche patriciërswoning, waar eertijds over het spiegelgladde parket schoone vrouwen door wereldsche mannen ten dans waren geleid, stonden nu, geschaard langs de hooge, met eikenhout beschoten wanden, stil en ernstig de vele ziekbedden van de Engelsche ambulance.
De reusachtige kristallen lichtkronen, die vroeger met hun hellen schijn zoo menig vroolijk feest hadden bestraald, waren nu met hoezen omwikkeld, het zware damast voor de breede vensters was door wit linnen gordijnen vervangen en over het gladde parket waren grijs vilten kleeden gespreid, om de voetstappen te dempen. Geen frivole vleierijtjes, geen klaterende lachjes werden meer gehoord, de prikkelende geur van lysol had het zoet aroom der parfums doen vervluchtigen en schier verbijsterend deed in deze omgeving van ernst en wee de weidsche kracht der oude familie-portretten, die men aan de wanden had laten hangen.

Het bleeke licht van den laten winterdag verzwond in het duister van den avond. Zuster Elisabeth schoof geruischloos de gordijnen toe en deed bij de zwaarste zieken de groen omkapte electrische lichtjes aangloeien. Onhoorbaar op haar zachte pantoffeltjes met het nauwelijks ruischen van hare kleederen deed zij haar rondgang door de zaal.
Zij bleef niet, zooals anders haar gewoonte was, bij ieder ziekbed even staan, om bemoedigend te glimlachen, een vriendelijk woord te prevelen, of haar koele hand kalmeerend neer te leggen op een hoofd, dat geen rust kon vinden.
Zij zag de gewonden niet, de wanden van de ziekenzaal waren weggevallen, Frankrijk was in 't niet verzonken en voor haar wijd geopende oogen doemde het vriendelijke Engelsche "home" op, waarin het met Kerstmis altijd zoo vreugdig was. Het lachen der vele gasten, het klinken der champagnekelken tegen elkaar drongen in hare ooren, de brandende plumpudding met den bloeienden hulsttak ging de tafel rond en in een nevenzaal zag zij het twinkelen der lichtjes aan den Kerstboom.

Opeens bleef Zuster Elisabeth midden in de zaal staan, haar adem stokte en haar hand tastte onzeker naar een stoel, waaraan zij zich kon vastgrijpen.
Wat was er overgebleven van dit alles?
Een week na haar huwelijk, dat door den oorlog werd bespoedigd, was zij haar man naar Frankrijk gevolgd, omdat zij niet minder dan hij voor het vaderland werkzaam wilde zijn. Hij was gevallen aan de Somme en zij had hem niet weergezien. Haar oudste broer was als krijgsgevangene naar Duitschland gevoerd en de jongste, de lieveling van het heele gezin, de levenslustigste van allen, was blind geschoten en naar een instituut gebracht, om weer bruikbaar te worden gemaakt voor het dagelijksche leven. En nog altijd ging het menschenmoorden door, nog altijd . . . .
Zuster Elisabeth zonk neer bij de groote middentafel en klemde krampachtig het hoofd in de handen. Wanneer zou er aan al dien jammer een einde komen . . . wanneer?

Het binnentreden van een ziekenoppasser deed haar opschrikken. De man plaatste op de tafel een groote kom met in stukjes geslagen ijs en verdween weer even haastig als hij was binnengekomen. Door de open deur viel het helle lichtschijnsel van den corridor de half duistere zaal in. Zuster Elisabeth hoorde de andere verpleegsters, die de laatste hand legden aan 't versieren der Kerstboomen, praten en lachen en zij was zeer dankbaar, dat men haar niet gedwongen had mede te doen en haar rustig bij de zieken gelaten had. Onder de luchthartige zusters voelde Elisabeth zich niet thuis, zij deden haar dikwijls pijn met hun vroolijkheid, en hun scherts griefde haar. Maar de zieken stelden haar nooit te leur, hun aanhankelijkheid gaf haar moed en de gestadige zorg voor hun welzijn beurde haar op uit haar eigen neerdrukkend verdriet.

Aan het einde van de zaal hoorde zij plots het zwakke kreunen van een gewonde. Zuster Elisabeth herkende onmiddellijk de stem van No. 21, zij wischte zich snel de oogen droog en haastte zich naar het ziekbed. Het pijnlijke kreunen verstomde, toen zij zich over den lijder heen boog. Met vlinderlichte hand sloeg zij het dek op en verwijderde den ijszak, die door de koortshitte van den gewonde in haar koele handen aanvoelde als een in kokend water gedoopten lap. Zuster Elisabeth schudde het hoofd. Hoop was er voor dezen ongelukkige alleen, als de koorts weg bleef en sinds vanmorgen was de temperatuur steeds stijgende en dat niettegenstaande zijn wond, een schot door de linkerlong, alle kans bood op herstel.
"Geestelijk lijden houdt bij hem het lichamelijk herstel tegen," had de dokter haar herhaaldelijk toegevoegd, "zie uit te vinden wat den jongen hindert." Maar No.21 was zoo gesloten als een boek met zeven zegels, niemand gunde hij zijn vertrouwen, niemand had nog ooit een woord van toenadering van hem gehoord, zelfs Elisabeth niet, ofschoon hij aan haar zichtbaar de voorkeur gaf boven de andere zusters.

Toen zij den versch gevulden zak weer zorgzaam op de pijnlijke zijde had gelegd, zóó dat de zieke door geen onachtzaam gebaar werd geschaad, liet zij even de hand op zijn schouder rusten en fluisterde overredend: "Tracht nu eens ernstig wat te slapen, beste jongen, anders ben je straks, als wij Kerstmis vieren, niets waard."
" 't Is nu geen tijd, om feest te vieren," prevelde de gewonde driftig; toen haar arm grijpend met zijn vrije hand vroeg hij zacht: "Waarom heb je daar straks gehuild?"
Zuster Elisabeth glimlachte; hoe was het mogelijk, dat hij haar hier had hooren schreien, terwijl zij neerzat aan het andere einde van de zaal?
"Ik . . ." stamelde zij verlegen, "ik .. . ach, ik huilde . . . Deze dag is ook zoo vol herinneringen."
"Juist," stemde de zieke toe, "juist, en daarom moet hij ook niet vroolijk worden gevierd. Als ze straks de Kerstboomen binnen brengen, dan moet je mijn bed naar den muur schuiven en de dekens over mijn ooren halen, ik wil niets hooren en niets zien."
"Is dat wel aardig voor de anderen?" vroeg Elisabeth licht bestraffend. "Ze hebben er zich allemaal zoo op verheugd."
"Wel mogelijk." No. 21 wuifde afwerend met de hand. "Laat ze feest vieren voor mijn part, als ze daar plezier in hebben, ik ben er niet toe gestemd, niemand kan me dat kwalijk nemen, ik wil 't niet."
De met moeite uitgestooten laatste woorden verontrustten Elisabeth.
"Goed, goed," zeide zij kalmeerend, "ieder is hierin vrij, om te doen, wat of hij zelf wil. Stil maar."

Zij zag het hooggekleurde gezicht van den zieke in de kussens terugzinken, zijn adem ging hortend en snel en zij vroeg zich af, hoe zij aan zijn wensch gehoor zou kunnen geven, zonder de andere gewonden te kwetsen. Brave jongens waren het allemaal; gehoorzaam en rustig hielden zij zich in het vooruitzicht op het naderende feestje, hoe storend moest het naar den muur gekeerde bed van No.21 werken op hun genoegen, dat mocht niet.

Toen de Directrice binnentrad, en naar ’t verloop van den middag vroeg, wees Zuster Elisabeth haar op de onrustbarende temperatuurstijging van No.21, vanmorgen 39.5, nu al 40.8; was het niet raadzaam hem met ’t oog op den drukken avond van de anderen te isoleeren? Boven was nog een kamer met een bed vrij, daar zou hij rustig liggen en niet gestoord worden.
De Directrice knikte goedkeurend met 't hoofd, maar dan moest de patiënt dadelijk worden overgebracht, de oppassers stonden klaar om de boomen rond te brengen in de verschillende zalen, er mocht niet langer worden gewacht.

Zuster Elisabeth wenkte een ziekenoppasser, bestelde een brancard en liep toen haastig op 't bed van No.21 toe. "Je moogt boven liggen op een kamer alleen, we zullen je er dadelijk heen brengen," fluisterde zij in zijn oor.
"Ik dank je," zuchtte de zieke zonder veel blijken van instemming, maar toen men hem droeg over den hel verlichten corridor, langs de versierde Kerstboomen met hun frisschen dennengeur en de vele flikkerende waskaarsjes, wendde hij wrevelig het hoofd om. In de bovenkamer leunde hij uitgeput en hijgend van vermoeienis in de kussens terug.
"Zal je nu kalm zijn, niet praten, je niet opwinden?" smeekte Elisabeth, toen de oppassers het vertrek verlaten hadden.
"Kalm zijn? Waarom zou ik kalm zijn," bracht de zieke er hortend uit. "Wat zou dat voor nut hebben om kalm te wezen, ik wensch niet meer beter te worden, Zuster."
"Kom, kom," suste Elisaheth, "dat zijn praatjes, die ik niet wil aanhooren, ze verlangen allemaal om beter te worden, waarom jij dan niet?"
No.21 haalde schamper de schouders op. "Komt er niet op aan, waarom niet," gromde hij binnensmonds.

Zuster Elisabeth zweeg, het kwam wel meer voor, dat de patiënten moedeloos werden en naar het einde verlangden, het was het best daar niet op te antwoorden, met de beterschap kwam ook weer 't verlangen om te leven.

Op het punt de kamer te verlaten, greep de zieke haar aan haar kleeren vast en dwong haar
naar hem te luisteren. "Ga kijken, of er ook brieven onder den Kerstboom liggen, en als er een is voor mij, breng hem dan hier, gauw, gauw, hoor je. - Als er geen is, kun je wegblijven, of neen, kom in elk geval terug, óók als er géén is, dan weet ik, dat ik niet meer hoef te wachten."

Zuster Elisabeth schoof de deur uit. Dat was het dus, wat hem hinderde. Een brief, waarop hij wachtte, een brief, die niet kwam. Beneden was het feest in vollen gang, luidruchtig praten en lachen klonk door tot den corridor. Elisabeth aarzelde, om de zalen binnen te gaan. Wat moest zij doen, als er géén brief was voor den armen jongen boven?

De meeste zieken met kussens in den rug gesteund zaten op in bed en maakten grapjes met de zusters, die de geschenkjes aandroegen en de linten en de pakjes los knoopten.
"Waren er ook brieven? Misschien een brief of een pakje voor John Lavery?" vroeg Elisabeth aan de Directrice, de hoofdverpleegster, de zusters en de oppassers, aan ieder, die ze tegen kwam. "O ja, er zijn veel brieven voor de patiënten gekomen, maar voor John Lavery was er geen." Opeens voelde Elisabeth, hoe vermoeid zij was na dezen langen, zwaren dag. Zij kampte met de begeerte stil beneden te blijven en aan een ander het brengen van de teleurstelling op te dragen, maar de diepe weemoed, die in de vraag van den zieke had door geklonken, dreef haar voort.

No.21 lag met het hoofd naar de deur gewend, toen zij binnen trad en nog vóór zij een woord had uitgebracht, deed hij met een kort, bitter lachje hooren: "Ik wist 't wel, er is er geen."
"Maar van wien moest die brief dan wezen? Zeg 't me, misschien kan ik je helpen," bemoedigde Elisabeth, doch de zieke stootte wild haar hand van zich weg, alsof haar aanraking hem hinderde en begroef het hoofd in de kussens.
Wanhopig wendde Elisabeth zich af en liep naar de tafel, om een kalmeerend middel te halen, maar onmiddellijk keerde zij op haar schreden terug, hevig verschrikt door het woeste snikken, dat de kussens niet vermochten te smoren.
"Houd op, houd dadelijk op, je weet niet, hoe nadeelig zoo 'n opwinding voor je is," beval zij streng. "John Lavery, ben jij 'n man, om je zoo aan je droefheid over te geven? Schaam je, er is medicijn voor elk verdriet; houd op John Lavery of ik zal den dokter moeten roepen, om
je te dwingen stil te zijn."

Haar woorden gingen verloren in den storm van leed en reeds tastte haar hand naar de electrische schel om hulp te roepen, toen de heftigheid van het snikken plotseling verminderde. De oogen nog nat van tranen, rukte de zieke zich, naar adem snakkend, op, krampachtig hoesten deed zijn lichaam sidderen en als verlamd van ontzetting zag Elisabeth den doek, dien hij zich voor den mond hield, rood kleuren. Daar was nu de catastrophe, waarvoor de dokter zoo gewaarschuwd had, de bloedspuwing, die hem het leven kosten zou.
Zuster Elisabeth knorde niet meer; met sussende, vleiende woordjes liet zij den zieke neerliggen, zij waschte hem, deed hem stukjes ijs slikken en spreidde een schoon laken over zijn bed, zóó behoedzaam, zoo zacht en teeder als een moeder.

Toen zette zij zich aan zijn bed, vouwde de handen en sloot de oogen toe. Zij wilde bidden, redding vragen voor dit jonge leven, maar zij wist, dat er geen redding meer mogelijk was, en zij kon geen woorden vinden. Toen klonk opeens als een zucht zoo zwak van de lippen van den zieke: "Zuster, dit is het einde, nietwaar? Je hoeft me niets meer wijs te maken Zuster, ik heb zelf in de medicijnen gestudeerd en weet dus waar ik aan toe ben."
"Ssst, ssst," maande Elisabeth.
De zieke glimlachte vermoeid.
"Laat me maar, Zuster, je bent zoo goed voor me geweest, je verdient te weten waarom . . . Toen ik uittrok, was ik verloofd, ze was mooi, Zuster, héél mooi en héél jong, ik geloof niet, dat ik van eenig wezen zoo veel gehouden heb, als van haar. Ze was er trotsch op, dat ik me vrijwillig aanmeldde en ze smaalde op anderen, die thuis bleven. In de eerste weken schreef zij me trouw, haar brieven en haar portretje waren mijn eenig geluk.
Toen bleven haar brieven plotseling uit, ik vroeg een verklaring, smeekte om bericht, maar er kwam niets meer, tot een vriend, die pas uit Engeland was vertrokken, me vertelde, dat zij zich verloven zou met een ander. De booze wereld had altijd gezegd, dat zij lichtzinnig was, ik geloofde het niet, ik geloofde ook mijn vriend niet en schreef opnieuw, tot . . . . tot de wanhoop me krankzinnig maakte, ik waagde me te ver en . . . . liep de wond op in mijn long, die me hier bracht. Vreemd, vreemd, dat ik tot nu toe nog altijd geloofd heb, dat ik nog altijd een brief van haar verwachtte, waarin ze me schreef, dat alles gelogen was. Zoo zeker, alsof iemand 't me gezegd had, wist ik, dat die brief me met Kerstmis bereiken zou, maar . . . . nu is het Kerstmis en de brief is er niet. De zieke zweeg. Zuster Elisabeth had zijn handen in de hare genomen en streelde ze zachtjes. Beneden verstomde het gerucht, deuren werden gesloten, snelle schreden zweefden de trap op.

Elisabeth rees haastig op en opende de deur. Een pleegzuster reikte haar een roomkleurig couvert over. "Toch nog voor John Lavery," zei ze, " 't couvert was tusschen andere brieven weggeraakt en werd nu pas gevonden."
Met één oogopslag zag Elisabeth, dat het zware couvert geen brief, maar een gedrukte kaart bevatte, de verlovingskaart van John Lavery's meisje. Zij wenkte de zuster heen te gaan en trad in de kamer terug, het couvert achter haar rug verbergend. Maar de zieke had de gefluisterde woorden verstaan.
"Toch nog van háár, Zuster," stamelde hij heesch. "Maak dan open Zuster en lees me voor, ik . . . ik kan 't niet meer zelf doen. Maak open, Zuster."
Toen weifelde Elisabeth niet meer. Met vaste stem dicht naast zijn bed gezeten, las zij: "John, liefste, twijfel toch niet aan me, ik heb je lief. Hoe heb je geloof kunnen slaan aan de praatjes van de menschen, je moet toch gevoeld hebben, dat ik je liefhad, je moest weten, dat ik je steeds liefhebben zal".

Dien nacht stierf John Lavery, de roomkleurige kaart tusschen de vingers geklemd, die den naam droeg van zijn meisje en den naam van een ander.

Eline van Stuwe (1876 – 1955)
Met dank aan Hauptmann die het verhaal uit "De Prins" kopieerde voor ons.
_________________
Met hart en ziel
De enige echte

https://twitter.com/ForumWO1
Naar boven
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Verstuur mail Bekijk de homepage
Berichten van afgelopen:   
Plaats nieuw bericht   Plaats Reactie    Forum Eerste Wereldoorlog Forum Index -> Mystiek en religie Tijden zijn in GMT + 1 uur
Pagina 1 van 1

 
Ga naar:  
Je mag geen nieuwe onderwerpen plaatsen
Je mag geen reacties plaatsen
Je mag je berichten niet bewerken
Je mag je berichten niet verwijderen
Ja mag niet stemmen in polls


Powered by phpBB © 2001, 2002 phpBB Group